RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11724193 CV EXPL 25-12659
datum uitspraak: 14 augustus 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
eisers,
gemachtigde: mr. M.R. de Kok,
tegen
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.E. Roeters van Lennep.
De partijen worden ‘ [eiser 1] ’, ‘ [eiser 2] ’ en ‘Havensteder’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 15 mei 2025, met bijlagen 1 tot en met 11;
het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 21;
de e-mail van 6 juli 2026 van Havensteder, met bijlage 22.
Op 23 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Namens Havensteder is verschenen [persoon A] , [functienaam] , bijgestaan door de gemachtigde.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
Tussen Havensteder als verhuurder en [eiser 2] als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan [adres] in [plaats] . [eiser 2] en zijn zoon [eiser 1] (27 jaar) staan allebei in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven op het adres van de woning.
[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren in de woning (artikel 7:267 BW). [eiser 1] en [eiser 2] eisen dat de kantonrechter bepaalt dat [eiser 1] medehuurder van de woning wordt en dat Havensteder wordt veroordeeld tot aanpassing van de huurovereenkomst in die zin dat [eiser 1] als medehuurder op de huurovereenkomst wordt vermeld.
Havensteder is het hier niet mee eens. Zij voert aan dat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding, dat de vordering kennelijk slechts de strekking heeft om [eiser 1] de positie van huurder te verschaffen en dat hij vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur. [eiser 1] kan daarom geen medehuurder worden van de woning, aldus Havensteder.
De kantonrechter wijst de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] af. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Toetsingskader
De kantonrechter kan op gezamenlijk verzoek van de huurder en van een andere persoon die in de woning zijn hoofdverblijf heeft bepalen dat die persoon de positie van medehuurder krijgt (artikel 7:267 lid 1 BW). De kantonrechter kan de vordering slechts afwijzen (artikel 7:267 lid 3 BW):
a. indien de beoogd medehuurder niet gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf in de woning heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft;
b. indien de vordering kennelijk slechts de strekking heeft de beoogd medehuurder de positie van huurder te verschaffen;
c. indien de beoogd medehuurder vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur.
Vaststaat dat [eiser 1] tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf heeft in de woning.
De stelplicht en bewijslast voor de duurzame gemeenschappelijke huishouding ligt bij [eiser 1] en [eiser 2] , waarbij ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding een verzwaarde stelplicht geldt. Dit houdt in dat [eiser 1] en [eiser 2] zoveel mogelijk feiten en omstandigheden moeten stellen die erop duiden dat er sprake is van een gemeenschappelijke huishouding tussen hen.
De volgende factoren kunnen wijzen op het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding:
het delen van de kosten van de huur en huishouding;
het gezamenlijk schoonmaken van de woning;
het gezamenlijk boodschappen doen en het gezamenlijk bereiden en nuttigen van maaltijden;
het gezamenlijk gebruiken van alle vertrekken in de woning;
het gezamenlijk tijd doorbrengen in de woning.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben niet voldaan aan hun verzwaarde stelplicht ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] niet hebben voldaan aan hun verzwaarde stelplicht ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding. Op basis van de door [eiser 1] en [eiser 2] overgelegde stukken kan niet worden vastgesteld in welke mate sprake is van financiële verwevenheid. Zij hebben onvoldoende inzicht gegeven in de mate waarin zij bijdragen in de kosten van de huishouding. Het enkele feit dat [eiser 1] regelmatig de huur en de abonnementskosten van Odido betaalt en dat hij betalingen doet aan [eiser 2] duidt op zichzelf niet op financiële verwevenheid. Deze betalingen aan [eiser 2] zijn ongespecificeerd, zodat niet duidelijk is waarop deze betalingen betrekking hebben. Ook is onduidelijk waaraan de contante geldopnames door [eiser 2] worden besteed. Evenmin is vast te stellen dat de gestelde uitgaven aan boodschappen zijn gemaakt ten behoeve van het gemeenschappelijke huishouden. Uit de producties blijkt niet dat door [eiser 1] en [eiser 2] gezamenlijk boodschappen worden gedaan. Hoewel [eiser 1] en [eiser 2] hebben gesteld dat zij schoonmaak- en boodschappenroosters hebben opgesteld, zijn deze stukken niet overgelegd. Ook is niet gesteld of gebleken dat zij samen de maaltijden bereiden en nuttigen. Dat [eiser 1] en [eiser 2] allebei een sportschoolabonnement hebben wil ook niet zeggen dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. Zij betalen ieder de eigen kosten hiervan. Ditzelfde geldt voor de stelling dat zij jaarlijks met elkaar op vakantie gaan. Dit levert ook geen gezamenlijkheid op. Het had op de weg van [eiser 1] en [eiser 2] gelegen om meer inzicht te geven in hun dagelijkse leven samen en de verdeling van de vaste lasten en de kosten van de huishouding. Dit geldt temeer nu [eiser 2] tijdens de zitting heeft verklaard dat hij vaak in het buitenland verblijft voor zijn werk. Dit duidt immers niet op een gemeenschappelijke huishouding met [eiser 1] .
[eiser 1] verkrijgt niet de positie van medehuurder
Gelet op hetgeen hiervoor (r.o. 2.6) is overwogen kan er in rechte niet van worden uitgegaan dat sprake is van een gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser 1] en [eiser 2] . Daarbij komt nog dat ook niet is komen vast te staan dat [eiser 1] zelfstandig in staat is om de huur te betalen. Dit betekent dat [eiser 1] geen recht heeft op de positie van medehuurder van de woning. Daarom wordt deze vordering afgewezen. Dit leidt er tevens toe dat de gevorderde aanpassing van de huurovereenkomst ook niet toewijsbaar is.
[eiser 1] en [eiser 2] moeten de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [eiser 1] en [eiser 2] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [eiser 1] en [eiser 2] aan Havensteder moeten betalen op € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 720,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [eiser 1] en [eiser 2] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] af;
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 720,-;
verklaart dit vonnis voor zover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. B.J.R. van Tongeren en in het openbaar uitgesproken.
764