RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12275800 VV EXPL 26-356
datum uitspraak: 18 augustus 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Woonfonds Nederland 5B B.V.,
vestigingsplaats: Amsterdam,
eiseres,
gemachtigde: mr. L.F. Birnie,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.J. Andel.
De partijen worden ‘Woonfonds’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 27 juli 2026, met bijlagen 1 tot en met 8;
de e-mail van [gedaagde] van 3 augustus 2026, met bijlagen 1 tot en met 24;
de pleitnota van Woonfonds;
de pleitnotities van [gedaagde] .
Op 4 augustus 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Namens Woonfonds was daarbij aanwezig [persoon A] , [functienaam] Noord- en West-Nederland, bijgestaan door de gemachtigde. Verder was de gemachtigde van [gedaagde] aanwezig met de moeder en oom van [gedaagde] . [gedaagde] zelf was niet aanwezig.
2. De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
Tussen Woonfonds als verhuurder en [gedaagde] als huurder is met ingang van 1 juli 2014 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de woning aan [adres] in [plaats] .
Op [datum] 2026 heeft de politie de woning doorzocht en daarbij (onder andere) vier vuurwapens en munitie in de zin van artikel 2 Wet wapens en munitie (Wwm) aangetroffen. [gedaagde] was op dat moment zwaar verslaafd aan GHB. De burgemeester van de gemeente Rotterdam heeft vervolgens op 6 mei 2026 besloten de woning te sluiten voor de duur van drie maanden. De sluiting van de woning is ingegaan op 13 mei 2026. Bij brief van 15 juni 2026 heeft Woonfonds de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden. [gedaagde] verblijft sinds zijn aanhouding op [datum] 2026 in voorlopige hechtenis.
Woonfonds eist in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld de woning te ontruimen, primair omdat de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en subsidiair omdat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst.
Voor wat betreft de subsidiaire grondslag stelt Woonfonds dat [gedaagde] zijn woonomgeving ernstig in gevaar heeft gebracht door in de woning een grote hoeveelheid wapens en munitie te verzamelen. Daarnaast zijn in de woning meerdere flesjes GHB aangetroffen. Ook veroorzaakt [gedaagde] volgens Woonfonds ernstige overlast aan omwonenden.
[gedaagde] is het daar niet mee eens en wil dat de eis wordt afgewezen. Hij voert aan dat hij een verzamelaar is van allerlei speciale objecten, waaronder wapens en munitie. Hij is geen crimineel en veroorzaakt geen overlast. De vuurwapens waren veilig opgeborgen. De door de politie in een open kast in de woonkamer aangetroffen revolver is slechts een imitatiewapen. [gedaagde] is inmiddels lichamelijk afgekickt van zijn GHB-verslaving. Er is geen sprake van een risico voor de openbare orde. De buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst levert misbruik van recht op en is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Daarnaast is deze ontbinding disproportioneel. Voor het geval de ontruiming wordt toegewezen, verzoekt [gedaagde] om hem een ontruimingstermijn van zes maanden te gunnen.
De kantonrechter wijst de gevorderde ontruiming van de woning toe. Hierna wordt uitgelegd waarom de kantonrechter tot deze beslissing gekomen is.
Het kort geding
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat Woonfonds heeft bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor [gedaagde] als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
[gedaagde] moet de woning ontruimen
De burgemeester heeft de woning gesloten op grond van artikel 174a lid 1 sub c van de Gemeentewet. Dat heeft de burgemeester gedaan omdat in de woning vuurwapens en munitie zijn aangetroffen en dit een ernstig risico vormt voor de openbare orde. Vanwege de sluiting van de woning door de burgemeester was Woonfonds bevoegd de huurovereenkomst met [gedaagde] buitengerechtelijk te ontbinden (artikel 7:231 lid 2 BW). [gedaagde] heeft ook niet betwist dat Woonfonds die bevoegdheid had. De rechter moet wel beoordelen of de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 6:248 lid 2 BW) en of de verhuurder zijn bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (artikel 3:13 BW). Ook moet de rechter toetsen of het definitieve verlies van de woonruimte proportioneel is. Daarbij moet de rechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen, waaronder de aard en ernst van de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van de woning door het bevoegd gezag en in hoeverre de huurder een verwijt kan worden gemaakt van deze feiten en omstandigheden.
De kantonrechter is van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is dat Woonfonds gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om de huurovereenkomst buitengerechtelijk te ontbinden en ontruiming van de woning eist. Dat levert ook geen misbruik van recht op. Ook vindt de kantonrechter dat deze maatregelen in de gegeven omstandigheden niet disproportioneel zijn. Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dat oordeel komt.
De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] gemotiveerd heeft weersproken dat hij overlast zou veroorzaken aan omwonenden en dat de gestelde overlast ook geen grondslag vormt van het besluit van de burgemeester om de woning te sluiten. De burgemeester heeft de woning immers gesloten omdat in de woning vuurwapens en munitie zijn aangetroffen. Dit betekent dat de overlastkwestie verder in het midden kan blijven.
Er is in dit geval sprake van een ernstig feit. Tussen partijen staat vast dat de politie in de woning vier vuurwapens en munitie in de zin van artikel 2 van de Wwm heeft aangetroffen. Dit blijkt ook uit het proces-verbaal van bevindingen dat de politie over deze wapens op 2 maart 2026 heeft opgemaakt. Verder zijn er in de woning ploertendoders en een werpster gevonden. Aan de ernst van de situatie doet niet af dat het openlijk in de woonkamer aangetroffen wapen geen echt (doorgeladen) vuurwapen is, maar een gasdrukwapen. Ook dit gasdrukwapen is een wapen in de zin van artikel 2 van de Wwm en is dus strafbaar gesteld. Uit het proces-verbaal van de politie blijkt dat ook een dergelijk wapen gevaar oplevert.
Bovendien heeft [gedaagde] al relevante antecedenten op zijn naam staan. Op 23 oktober 2024 heeft de politie meerdere steek-, slaag- en nepvuurwapens in de woning aangetroffen en op 8 januari 2025 is ook nog een overtreding van de Wwm geconstateerd vanwege het bezit van een vuurwapen. [gedaagde] was dus een gewaarschuwd man. Desondanks is hij weer in de fout gegaan. Dat valt [gedaagde] te verwijten. Zijn stelling dat hij uiteindelijk de meeste van de eind 2024 in beslag genomen wapens weer heeft teruggekregen maakt dit niet anders. Dat bij herhaling verboden wapens in de woning zijn aangetroffen geeft extra vrees voor herbewapening, zeker omdat [gedaagde] een fascinatie heeft voor wapens.
De zware verslaving van [gedaagde] aan GHB draagt bij aan de ernst van de situatie. Hij was zodanig verslaafd dat hij na zijn aanhouding op 1 maart 2026 niet in staat was om een verklaring af te leggen tegenover de politie en het verhoor daarom is beëindigd. [gedaagde] is vervolgens opgenomen in het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ). Eén van de gevolgen van GHB-gebruik is dat angsten en remmingen verdwijnen. Dit leidt ertoe dat GHB-verslaafden hun gedrag regelmatig niet onder controle hebben. Het bezit van vuurwapens vormt in combinatie met de ernstige GHB-verslaving van [gedaagde] dus een extra groot risico voor de openbare orde. [gedaagde] heeft gesteld dat hij inmiddels lichamelijk is afgekickt van zijn verslaving. Van een geestelijk herstel is echter nog geen sprake. Ook is niet gesteld of gebleken dat hij na zijn (voorwaardelijke) vrijlating intensieve professionele hulp en begeleiding zal krijgen om hem van zijn eerdere verslaving af te houden en dat hiervoor al een adequaat hulpverleningsplan klaar ligt. Er bestaat dan ook geen garantie dat [gedaagde] niet zal terugvallen in zijn verslaving met de daaraan verbonden risico’s als hij terugkeert in de maatschappij.
Woonfonds heeft er een groot belang bij om de hiervoor genoemde illegale activiteiten tegen te gaan, ook al zijn er geen directe aanwijzingen dat de woning bekend is in het criminele circuit. Woonfonds hoeft niet te accepteren dat haar huurder bij herhaling vuurwapens in de woning voorhanden heeft. Dat [gedaagde] belang heeft bij behoud van de woning is duidelijk. Hij heeft echter niet gesteld dat hij nergens anders terecht kan en dat hij op straat komt te staan als de eis van Woonfonds wordt toegewezen en de woning moet worden ontruimd. De moeder van [gedaagde] heeft tijdens de zitting weliswaar verklaard dat [gedaagde] niet bij zijn vader terecht kan, die in de woning onder [gedaagde] woont, maar zij heeft niet gezegd dat [gedaagde] niet (tijdelijk) bij haar kan wonen. Gelet op de ernst van de situatie en de herhaaldelijke overtredingen van [gedaagde] van de Wwm in de woning wegen zijn belangen in de gegeven omstandigheden niet op tegen het belang van Woonfonds.
De conclusie is dat de kantonrechter het voldoende aannemelijk vindt dat de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst in een bodemprocedure in stand zal blijven. De kantonrechter wijst daarom in dit kort geding de eis van Woonfonds op de primaire grondslag toe. Dat betekent dat [gedaagde] de woning met al zijn spullen moet verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend. Een langere ontruimings-termijn, zoals [gedaagde] heeft gevraagd, vindt de kantonrechter niet nodig. Hij komt na zijn vrijlating immers niet op straat te staan. Omdat de eis op de primaire grondslag wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire grondslag (tekortschieten in de nakoming van de huurovereenkomst door [gedaagde] ) geen beoordeling en beslissing meer.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonfonds moet betalen op € 151,94 aan dagvaardingskosten, € 139,- aan griffierecht, € 865,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.299,94. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonfonds dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om binnen 14 dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] in [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonfonds te stellen;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonfonds worden begroot op € 1.299,94;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. M. Fiege en in het openbaar uitgesproken.
764