RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11791128 CV EXPL 25-15317
datum uitspraak: 5 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Woonbron,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Flanderijn Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. C.P. Visser.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 1 juli 2025, met bijlagen 1 tot en met 8;
het antwoord, met bijlagen 1 tot en met 4;
de brief van Woonbron, met bijlagen 9 tot en met 35;
de e-mail van [gedaagde] , met bijlage 5.
Op 2 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [persoon A] en
mr. F. Akkermans voor Woonbron en met [gedaagde] en mr. Visser.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[gedaagde] huurt vanaf 24 juli 2023 een woning van Woonbron. De huur is nu € 725,01 per maand. Er is een huurachterstand. Woonbron eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt. [gedaagde] moet van de kantonrechter inderdaad de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 2,223,33 betalen
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 2.223,33 aan huurachterstand tot en met de maand maart 2026 aan Woonbron te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan. De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden. De belangrijkste omstandigheid aan de kant van [gedaagde] is haar woonbelang omdat zij twee kleine kinderen heeft, maar die zijn nog niet leerplichtig en ook anderszins niet gebonden aan de buurt waar zij wonen. Het belang van het hebben van een dak boven het hoofd is evident, maar daarin voorzien is primair de verantwoordelijkheid van [gedaagde] zelf, wat ook geldt voor de zorg voor (een stabiele omgeving voor) de kinderen. De huur moet echter maandelijks betaald blijven worden. Daarin is [gedaagde] ernstig tekort geschoten, want vanaf bijna het begin van de huurovereenkomst heeft zij heel vaak de huur niet of niet op tijd betaald. Herhaaldelijk is Woonbron betalingsregelingen met [gedaagde] aangegaan, maar steeds is het weer misgegaan. Een en ander met administratieve rompslomp en kosten voor Woonbron (en uiteindelijk haar huurders) tot gevolg. Tegen deze achtergrond levert de omstandigheid dat [gedaagde] inmiddels schuldhulp heeft geen reden op om van de ontbinding af te zien. Daarbij is van betekenis dat tussen de datum van dagvaarding en de zitting driekwart jaar verstreken is in welke periode de huurachterstand nauwelijks ingelopen is. Onderkend wordt dat er schaarste is op de (huur)woningmarkt en dat het voor [gedaagde] als alleenstaande moeder met een penibele financiële positie lastig zal zijn om vervangende woonruimte vinden, maar dat geldt voor velen die zich in een vergelijkbare positie bevinden. Dit staat dus niet in de weg aan ontbinding van de huurovereenkomst om genoemde redenen, mede omdat dit het probleem op de woningmarkt, dat ook het gevolg is van gebrek aan beweging door teveel aan bescherming, zou verergeren.
Gebreken?
Aangevoerd is dat [gedaagde] de huur (deels) niet betaald heeft en de huur(verhoging) ook niet hoeft te betalen omdat de woning gebreken heeft. Dit standpunt wordt om meerdere redenen niet onderschreven. In de eerste plaats niet omdat [gedaagde] zo ongeveer van aanvang van de huurovereenkomst af permanent in betalingsverzuim verkeert. In de tweede plaats niet omdat Woonbron betwist dat sprake is van gebreken aan de woning en onderbouwd gesteld heeft aan haar onderhoudsverplichtingen te voldoen, maar daarbij niet altijd medewerking krijgt van [gedaagde] . In de derde plaats niet omdat van de zijde van [gedaagde] gesteld noch gebleken is dat zij hierover een procedure bij de huurcommissie begonnen is. Aangevoerd is dat zij hierover indien nodig een separate procedure zal gaan beginnen.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al haar spullen verlaten. Dat moet binnen een maand nadat dit vonnis is betekend. Deze termijn vindt de kantonrechter passend, omdat er minderjarige kinderen in de woning wonen. Zo heeft [gedaagde] meer tijd om ergens anders onderdak te zoeken. Overigens heeft Woonbron ter zitting toegezegd dat zij het vonnis niet meteen zal executeren, maar daarmee twee maanden zal wachten om het resultaat van het schuldhulpverleningstraject af te wachten.
Tot en met vandaag moet [gedaagde] huur en vanaf vandaag tot en met de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 725,01 per maand betalen. Woonbron lijkt ook een vergoeding voor de rest van de maand te eisen, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] moet incassokosten betalen
De incassokosten van € 259,01 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen.
[gedaagde] moet rente betalen
De rente wordt toegewezen over de huurbedragen vanaf 1 juli 2025 tot en met vandaag en over de gebruiksvergoeding vanaf vandaag tot en met de dag van de ontruiming, steeds vanaf iedere eerste van de maand. Deze rente is natuurlijk alleen verschuldigd als [gedaagde] te laat is (geweest) met de betaling in de betreffende maanden.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonbron moet betalen op € 146,14 aan dagvaardingskosten, € 514,- aan griffierecht, € 506,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 253,-) en € 126,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 1.292,64. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonbron dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Daarbij zijn de hierboven onder 2.3 genoemde omstandigheden aan de zijde van [gedaagde] meegewogen. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] , [postcode] [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege haar bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van Woonbron te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen:
€ 2.223,33 aan achterstallige huur tot en met de maand maart 2026;
€ 259,01 aan incassokosten;
€ 725,01 per maand aan huur vanaf 1 april 2026 tot vandaag en datzelfde bedrag per maand aan gebruiksvergoeding vanaf vandaag tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt, met de verhoging die is toegestaan;
de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de huurbedragen vanaf 1 juli 2025 tot en met vandaag en over de gebruiksvergoeding vanaf vandaag tot en met de dag van de ontruiming, steeds vanaf iedere eerste van de maand, als de bedragen niet betaald zijn of worden tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonbron worden begroot op € 1.292,64;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.
465