RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11944829 CV EXPL 25-23279
datum uitspraak: 31 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiser,
gemachtigde: mr. S. Ince,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. R. Scheltes.
De partijen worden ‘ [eiser] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
2. De beoordeling
De kantonrechter had op 23 april 2026 een mondelinge behandeling gepland.
[gedaagde] was daarbij aanwezig, vergezeld door zijn zoon, bijgestaan door mr. Scheltes.
[eiser] en mr. Ince zijn niet verschenen, omdat de secretaresse van mr. Ince haar diezelfde ochtend had ziek gemeld.
De zaak is op 23 april 2026 niet inhoudelijk besproken. De kantonrechter heeft in overleg met [gedaagde] en zijn gemachtigde bepaald dat de zaak schriftelijk wordt voortgezet, mede gelet op het verweer van [gedaagde] dat de zes-maandentermijn (artikel 7:269 lid 2 BW) al was verstreken voor de datum van de dagvaarding. De kantonrechter heeft de zaak daarom verwezen naar de rolzitting van 21 mei 2026 voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser] , met daarin een reactie op de conclusie van antwoord, met name op het punt van de hiervoor bedoelde zes-maandentermijn. Het voorgaande heeft de kantonrechter ook vastgelegd in het proces-verbaal van 23 april 2026.
Op voornoemde rolzitting van 21 mei 2026 heeft [eiser] een (zeer) uitgebreide akte genomen. In deze akte zijn diverse nieuwe stellingen naar voren gebracht en allerlei nieuwe feiten en omstandigheden gesteld, ook voor wat betreft het punt van de zes-maandentermijn. Daarnaast is de grondslag van de vordering aangevuld en is de eis vermeerderd. De bijlagen 6 tot en met 14, waar in de akte naar wordt verwezen, ontbreken. Op de rolzitting van
18 juni 2026 heeft [gedaagde] een antwoordakte genomen, met een bijlage.
Gelet op de inhoud van de aktes van partijen wil de kantonrechter de zaak alsnog inhoudelijk bespreken met partijen op een zitting. Daarom wordt nu nog geen vonnis gewezen. Op de zitting zal in ieder geval de kwestie met betrekking tot de hiervoor bedoelde zes-maandentermijn worden besproken. Partijen krijgen op de zitting de mogelijkheid om hun kant van het verhaal te vertellen. Ook stelt de kantonrechter vragen en onderzoekt of partijen samen tot een oplossing kunnen komen.
Bij het plannen van de zitting wil de rechtbank zoveel mogelijk rekening houden met de agenda van partijen. Daarom wordt nu eerst aan partijen gevraagd de kantonrechter te laten weten op welke ochtenden en/of middagen in de komende maanden zij niet naar een zitting kunnen komen. Daarnaast wordt [eiser] in de gelegenheid gesteld om de bij zijn akte behorende bijlagen 6 tot en met 14 over te leggen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
bepaalt dat partijen uiterlijk op woensdag 12 augustus 2026 moeten laten weten op welke ochtenden/middagen in de maanden november en december 2026 en de maanden januari en februari 2027 zij niet naar een zitting kunnen komen;
bepaalt dat [eiser] de bij zijn akte behorende bijlagen 6 tot en met 14 tegelijk met zijn verhinderdata moet overleggen, uiterlijk op 12 augustus 2026;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
764