RECHTBANK ROTTERDAM
Zaaknummer: C/10/712086 / HA ZA 25-1121
Uitspraak: 18 maart 2026
VERSTEKVONNIS van de enkelvoudige kamer
in de zaak van
[eiser] Q.Q., in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [bedrijf 1],
te Den Haag,
eiser,
advocaat: mr. G. Sengers,
tegen
[gedaagde] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde,
niet verschenen.
1. Het verloop van het geding
Tegen gedaagde is verstek verleend.
De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:
2. De beoordeling
De rechtbank acht het niet nodig om de overige gevolgen van het bestuursverbod te regelen als bedoeld in artikel 106b lid 4 Fw.
Inzake de gevorderde rente over de proceskosten zal worden beslist zoals hierna vermeld.
Voor het overige komt de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voor, zodat deze voor toewijzing vatbaar is.
Gedaagde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiser worden begroot op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 2.723,00 aan griffierecht, € 2.885,00 aan salaris voor de advocaat en € 189,00 aan nakosten (plus de verhoging zoals gemeld in de beslissing). Dat is in totaal € 5.942,45.
3. De beslissing
De rechtbank,
verklaart voor recht dat gedaagde zijn taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld in de zin van artikel 2:248 lid 2 BW en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is en aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van [bedrijf 1] , voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, welke omvang wordt bepaald door verificatie en vaststelling van de schulden in het faillissement van [bedrijf 1] , en veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te betalen een voorschot ter zake aan de curator ten bedrage van € 380.332,29;
veroordeelt gedaagde tot een bestuursverbod op grond van artikel 106a Fw voor de duur van vijf jaar vanaf de datum van dit vonnis, gedurende welke periode gedaagde niet benoemd kan worden tot bestuurder en/of commissaris van een rechtspersoon en niet mag optreden als feitelijk beleidsbepaler van een rechtspersoon, onder oplegging van een dwangsom van € 1.000,00 per dag wanneer gedaagde niet aan dit verbod voldoet, met een maximum van
€ 100.000,00;
schorst gedaagde als bestuurder van [bedrijf 2] en [bedrijf 3] op grond van artikel 106c lid 4 en lid 5 Fw voor de duur van het geding;
bepaalt dat de onherroepelijke uitspraak waarin het bestuursverbod is opgelegd met bekwame spoed aan de Kamer van Koophandel wordt aangeboden, zoals bedoeld in artikel 106b lid 3 Fw;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, die aan de kant van eiser worden begroot op € 5.942,45, met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet gedaagde € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.
1578/3393