RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/711905 / JE RK 25-2608
Datum uitspraak: 16 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west, gevestigd te Dordrecht,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. Logtenberg, kantoorhoudende in Rotterdam,
[oma mz] en [stiefopa],
hierna te noemen: de oma moederszijde (mz) en stiefopa, tevens de pleegouders,
wonende in [plaats] .
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 21 januari 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage met bijlagen van de GI van 11 mei 2026, ontvangen op 18 mei 2026;
de door de advocaat ingediende stukken, waaronder de brief met de afspraken na de gezinsopname van de GI, ontvangen op 7 juli 2026;
het advies opvoedbesluit met bijlagen van de GI van 13 juli 2026, ontvangen op 14 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de pleegouders;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de oma mz en stiefopa (de pleegouders).
Bij beschikking van 21 januari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 27 juli 2026. Bij diezelfde beschikking is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 27 juli 2026. Het overig verzochte is aangehouden.
3. Het aangehouden verzoek
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de GI verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar, waarvan zes maanden aan te houden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er resteert nog een beslissing op de overige periode van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , te weten tot 27 januari 2027.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht dit als volgt toe. De gezinsopname bij Yulius is afgerond. Hoewel de moeder stappen vooruit heeft gezet, acht de GI een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder niet aan de orde. De GI ziet weliswaar geen zorgen over de directe veiligheid van [minderjarige] bij de moeder, maar er bestaan nog wel zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder als gevolg van haar problematiek. De moeder bagatelliseert de ernst en de gevolgen van haar problematiek en is wisselend in het gebruik van medicatie. De moeder doet haar best en verdient een rol in het leven van [minderjarige] , maar haar problematiek zal bij een thuisplaatsing aanwezig blijven en impact hebben op [minderjarige] . Daarnaast is sprake van aanhoudende systeemproblematiek door de zeer problematische relatie tussen de moeder en de oma mz, wat leidt tot onrust en instabiliteit in het leven van [minderjarige] . Herstel van deze relatie in de nabije toekomst is niet realiseerbaar. Door dit alles bestaat het risico dat het patroon van systeemproblematiek, spanning en loyaliteitsconflict blijft voortbestaan. Hoewel de timing niet ideaal was, heeft de GI duidelijkheid willen geven over het perspectief van [minderjarige] met het advies opvoedbesluit. De GI is van mening dat [minderjarige] op termijn overgeplaatst dient te worden naar een neutrale opvoedplek. [minderjarige] heeft namelijk behoefte aan een neutrale en stabiele opvoedomgeving waarin hij niet wordt belast met de gevolgen van de blijvende kwetsbaarheid van de moeder en de spanningen in de relatie tussen de moeder en de oma mz. [minderjarige] wordt dan weliswaar gescheiden van twee belangrijke hechtingsfiguren, maar dat is op de langere termijn beter voor hem. Het is van groot belang dat zowel de moeder als de pleegouders wel een blijvende en betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] behouden. Totdat een passend pleeggezin is gevonden, dient zijn verblijf bij de pleegouders te worden gecontinueerd. De GI zal de komende periode met het team en de gedragswetenschapper gaan beoordelen hoe het contact en de omgang tussen [minderjarige] en de moeder moet worden vormgegeven en dit bespreken met de moeder.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. De moeder voert geen verweer tegen het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] . De moeder ziet de voordelen van de betrokkenheid van de GI, maar voelt zich ook vaak niet gehoord en begrepen. De moeder voert wel verweer tegen het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] , alsmede het advies opvoedbesluit, en verzoekt om afwijzing van dit deel van het verzoek.
De moeder heeft veel meegemaakt in Syrië en na haar terugkeer werd [minderjarige] direct bij haar weggehaald. Dit was traumatisch voor haar. De moeder heeft de afgelopen periode meegewerkt aan de gezinsopname en hoopte en verwachtte dat [minderjarige] hierna zou worden thuisgeplaatst. Het advies opvoedbesluit kwam daarom hard bij haar binnen. Bovendien staan daarin dingen die volgens haar niet kloppen. De moeder heeft volledig meegewerkt aan alle hulpverlening. Ze is haar afspraken nagekomen, heeft medicatie geslikt, heeft een urgentieverklaring gekregen en heeft [minderjarige] ingeschreven op een school. Zowel de praktische zaken als opvoedtaken heeft ze dus opgepakt en dit gaat goed. De moeder houdt rekening met de gevoelens van [minderjarige] en is hier nieuwsgierig naar. Ze staat ook open voor verdere hulpverlening in de thuissituatie, zoals een MST-traject. De moeder vindt het oneerlijk dat haar persoonlijke problematiek zo een groot obstakel vormt voor het uitvoeren van haar moederrol. De moeder erkent dat er sprake is van systeemproblematiek, maar zal het altijd belangrijk vinden dat er plek blijft voor de pleegouders in het leven van [minderjarige] . Het advies opvoedbesluit staat volgens de moeder haaks op het advies van Yulius waarin wordt aangegeven dat haar de nodige hulpverlening in de thuissituatie wordt gegund. Een plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin is niet in zijn belang. Omdat eerder nimmer is gesproken over de plaatsing van [minderjarige] in een neutraal pleeggezin, is het vertrouwen van de moeder in de GI momenteel geschaad, maar de moeder staat ervoor open dit te herstellen. De moeder mist [minderjarige] en wil dat hij zo snel mogelijk bij haar terugkomt.
De pleegouders brengen tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren. Het gaat momenteel goed met [minderjarige] . Hij mist zijn moeder en praat over haar. Wanneer [minderjarige] behoefte heeft om de moeder te spreken of te zien, wordt dit door de pleegouders gefaciliteerd. De pleegouders verwachtten ook dat [minderjarige] na de gezinsopname zou worden thuisgeplaatst bij de moeder. Het advies opvoedbesluit kwam daarom ook bij hen hard binnen. [minderjarige] kan bij de pleegouders blijven zo lang dat nodig is, maar de pleegouders vinden dat een kind zijn moeder nodig heeft en dat [minderjarige] dat ook verdient. De pleegouders hebben geen bezwaar tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.
5. De beoordeling
De ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de stukken en de mondelinge behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Positief is dat in de afgelopen periode een pedagogische duiding is verricht waaruit blijkt dat geen signalen worden gezien dat [minderjarige] door de moeder wordt belast met ideologische overtuigingen op een wijze die zijn ontwikkeling of veiligheid schaadt. Daarentegen heeft in de afgelopen periode ook een gezinsopname bij Yulius plaatsgevonden, waarbij zicht is verkregen op de mogelijkheden van de moeder. Hoewel wordt gezien dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en zich inzet om hem een goede toekomst te bieden, is bij de moeder sprake van borderline persoonlijkheidsproblematiek die invloed kan hebben op haarzelf en op [minderjarige] . Bij veranderingen, stress of hoogoplopende spanningen laat de moeder meer instabiliteit zien. Enerzijds erkent de moeder dit, anderzijds wordt gezien dat zij haar problematiek ook kan bagatelliseren. De problematiek van de moeder heeft effect op [minderjarige] en dit is zorgelijk. Daar komt bij dat de zorgen als gevolg van de systeemproblematiek niet zijn weggenomen, ondanks dat de spanningen tussen de moeder en de oma mz op momenten lijken af te nemen, zoals tijdens de zitting. Gelet op alle zorgen die er nog steeds zijn, is het van belang dat de GI langer betrokken blijft. Overigens is door partijen ook geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de resterende periode van zes maanden, te weten tot 27 januari 2027.
De machtiging uithuisplaatsing
De kinderrechter acht de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . [minderjarige] verblijft al lange tijd bij de pleegouders. Hier gaat het goed met [minderjarige] en wordt hem nog altijd de juiste stabiliteit en structuur geboden. In de tussentijd heeft de moeder hard aan zichzelf gewerkt en positieve stappen gezet. Zoals hiervoor is overwogen, zijn er echter nog de nodige zorgen over de stabiliteit en de opvoedvaardigheden van de moeder. Dit maakt dat [minderjarige] naar het oordeel van de kinderrechter nu niet bij de moeder kan gaan wonen en de machtiging uithuisplaatsing nog nodig is. De kinderrechter zal de machtiging echter voor een kortere duur verlenen dan verzocht en overweegt hiertoe als volgt.
De moeder en de pleegouders waren in de veronderstelling dat [minderjarige] na de gezinsopname zou worden teruggeplaatst bij de moeder. [minderjarige] zelf heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter ook aangegeven dat het zijn allergrootste droom is om weer bij zijn moeder te wonen. Echter, vlak voor de zitting heeft de GI een advies opvoedbesluit uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat [minderjarige] het meest tot zijn ontwikkeling komt in een neutraal pleeggezin. Door de GI is verzocht de inhoud van het opvoedbesluit mee te wegen in de beslissing rondom de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter vindt het ook belangrijk dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over waar hij gaat wonen. Het advies opvoedbesluit zoals dat er nu ligt heeft echter de nodige gevolgen voor [minderjarige] . Het is dan ook belangrijk dat hier zorgvuldig naar wordt gekeken. Dit maakt dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing zal verlengen voor de duur van drie maanden. De behandeling van het verzoek voor het overige wordt verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en aangehouden tot de hierna vermelde zittingsdatum.
De GI wordt verzocht om uiterlijk twee weken vóór de hierna vermelde zittingsdatum een briefrapportage (met afschrift aan de belanghebbenden en de advocaat) te overleggen over de dan actuele stand van zaken.
Het voorgaande betekent dat [minderjarige] op dit moment bij de pleegouders blijft wonen. De kinderrechter overweegt in dit verband wel dat tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het van belang is dat het contact en de omgang tussen [minderjarige] en de moeder wordt voortgezet volgens de afspraken die daarover recent zijn gemaakt, waarbij door de GI is toegezegd dat ook gekeken zal worden naar mogelijkheden voor uitbreiding daarvan.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 27 januari 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 27 september 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
en alvorens verder te beslissen:
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan, verwijst deze voor behandeling en beslissing naar de meervoudige kamer en roept de GI, de moeder, de pleegouders en mr. K. Logtenberg op te verschijnen tijdens de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100/125, op 14 september 2026 om 15:30 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
de zaak zal op genoemde zittingsdatum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mrs. D.I. Hendriks-van Wel, W.J. Loorbach en R. van der Wal;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
vraagt de griffier [minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek;
verzoekt de GI uiterlijk twee weken vóór de genoemde zittingsdatum de rechtbank (met afschrift aan de belanghebbenden en de advocaat) de verzochte briefrapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026 door mr. R. van der Wal, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 23 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.