ECLI:NL:RBROT:2026:10693

ECLI:NL:RBROT:2026:10693

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-07-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer C/10/722153 / FA RK 26-5141 en C/10/724410 / FA RK 26-6345
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Beëindiging ouderlijk gezag en ambtshalve benoeming bijzondere curator.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummers: C/10/722153 / FA RK 26-5141 en C/10/724410 / FA RK 26-6345

Datum uitspraak: 27 juli 2026

Beschikking van de rechtbank over de gezagsbeëindiging en ambtshalve benoeming bijzondere curator

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats] ,

advocaat mr. P.C.E. van den Hoek, kantoorhoudende in Rotterdam,

[pleegmoeder] ,

hierna te noemen: de pleegmoeder, wonende in [plaats] ,

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam,

hierna te noemen: de GI.

1. Het verloop van de procedure

De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift van de Raad van 25 juni 2026 met bijlagen, ontvangen op diezelfde datum;

het gecorrigeerde Raadsrapport van 9 juli 2026, ontvangen op 10 juli 2026;

de brief van de GI, ter zitting overgelegd.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder met haar advocaat;

de pleegmoeder;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad] ;

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI] .

De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] .

[minderjarige 1] verblijft bij de pleegmoeder.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 17 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 24 december 2026. Tevens heeft de kinderrechter bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 24 december 2026.

De GI heeft zich bij brief van 22 juni 2026 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt het gezag van de moeder te beëindigen, de GI tot voogdes over [minderjarige 1] te benoemen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en verwijst naar het Raadsrapport. De Raad is van mening dat de gezagsbeëindiging op termijn kan helpen om het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder te herstellen. Het zal rust brengen en belangrijke beslissingen kunnen sneller voor [minderjarige 1] genomen worden.

De GI sluit zich ter zitting aan bij het verzoek van de Raad. Het is belangrijk dat [minderjarige 1] duidelijkheid krijgt over zijn toekomstperspectief. De huidige jeugdbeschermer [naam 1] is bereid om tot de 18e verjaardag van [minderjarige 1] de voogdij uit te voeren.

Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Een gezagsbeëindiging geeft voor de moeder meer rust. De moeder vindt het goed dat de voogdij bij de GI wordt belegd. De moeder hoopt wel dat het contact met de jeugdbeschermer beter gaat verlopen. Bij de eerste kennismaking met de jeugdbeschermer voelde de moeder zich onder druk gezet en heeft de moeder duidelijk aangegeven dat zij dat niet tolereert. De moeder hoeft op dit moment geen contact met [minderjarige 1] maar hoopt dat op termijn het contact hersteld kan worden. Ook hoopt de moeder dat [minderjarige 1] zijn jongste broertje weer kan zien.

Door de pleegmoeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. De moeder heeft de afgelopen jaren weinig interesse in het leven van [minderjarige 1] getoond. [minderjarige 1] heeft nu beter contact met zijn vader. De pleegmoeder heeft aan [minderjarige 1] uitgelegd dat zij niet de voogd van [minderjarige 1] kan worden omdat het voor haar lastig zou zijn het bezoek tussen [minderjarige 1] en de moeder op passende wijze te organiseren. Er ligt een omgangsregeling tussen [minderjarige 1] en zijn broertje [minderjarige 2] waarin is bepaald dat de broers elkaar vier keer per jaar zien. Deze bezoeken verliepen altijd goed en [minderjarige 1] was blij dat hij zijn broertje kon zien. Het is jammer dat [minderjarige 1] zijn broertje nu niet meer ziet. [minderjarige 1] heeft een tijdje geleden aangegeven dat hij de moeder wil vergeven en weer een band met haar wil opbouwen.

5. De beoordeling

Ten aanzien van de beëindiging van het gezag

Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder onder meer beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

De rechtbank is van oordeel dat aan de voornoemde wettelijke vereisten voor beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en zal het verzoek toewijzen. De rechtbank legt hierna uit waarom.

Een gezagsbeëindiging is een maatregel die diep ingrijpt in het gezinsleven van zowel de ouder waarvan het gezag wordt beëindigd als van de minderjarige waarover het gezag wordt uitgeoefend. Indien het doel met een lichtere maatregel dan gezagsbeëindiging kan worden bereikt, dan dient deze verkozen te worden. Daarnaast dient de inmenging in het gezinsleven die het gevolg is van de gezagsbeëindiging, in een redelijke verhouding te staan tot het doel dat ermee wordt nagestreefd.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt de ontwikkeling van [minderjarige 1] ernstig bedreigd en kan de moeder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] niet binnen een aanvaardbare termijn dragen. Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat [minderjarige 1] al lange tijd niet bij de moeder woont en dat de moeder niet in staat is voldoende betrokkenheid te tonen bij het leven van [minderjarige 1] . [minderjarige 1] verblijft inmiddels al langere tijd bij de pleegmoeder waar zijn oudere broer [naam 2] ook lange tijd woonde. Bij de pleegmoeder gaat het goed met [minderjarige 1] . De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige 1] dat deze stabiele situatie wordt voorgezet. Daarnaast moet er duidelijkheid komen over de vraag wie de gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] neemt. Het lukt de moeder niet goed om dit tijdig te doen, wat onrust bij [minderjarige 1] veroorzaakt. De moeder heeft ook zelf aangegeven dat het haar rust zal geven als iemand anders het gezag over [minderjarige 1] zal gaan uitoefenen. Mogelijk komt er dan zelfs ruimte om het contact tussen haar en [minderjarige 1] te gaan herstellen.

Door de beëindiging van het gezag van de moeder is er niemand meer om gezagsbeslissingen over [minderjarige 1] te nemen. De rechtbank benoemt daarom een voogd over [minderjarige 1] die voortaan deze gezagsbeslissingen neemt. De GI heeft verklaard dat te willen doen. De rechtbank is van oordeel dat de GI de voogdij moet krijgen. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat het niet mogelijk is om de pleegmoeder of de pleegzorgmedeweker tot voogd te benoemen. Het is belangrijk dat het contact tussen [minderjarige 1] en de moeder in de toekomst weer wordt hersteld en dit kunnen de pleegmoeder en de pleegzorgmedewerker niet faciliteren. Een neutraal persoon is hiervoor nodig.

De rechtbank zal bepalen dat de moeder aan de GI die tot voogdes wordt benoemd rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] . Dit betekent dat zij de GI op de hoogte moet stellen van alle geldzaken die over [minderjarige 1] gaan, zodat de GI vanaf nu voor [minderjarige 1] de geldzaken kan regelen.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Ten aanzien van de ambtshalve benoeming van de bijzondere curator

Artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de voogd in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechtbank, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] al lange tijd geen contact heeft met zijn jongste broertje [minderjarige 2] terwijl er door de rechtbank blijkbaar is vastgesteld dat zij eenmaal per kwartaal omgang behoren te hebben met elkaar. Voor alle kinderen, maar zeker voor uit huis geplaatste kinderen is contact met broers en zussen van groot belang. [minderjarige 2] heeft mogelijk medische problemen; niet duidelijk is of en waarom dit in de weg staat aan contact tussen de broers. [minderjarige 1] heeft bij de kinderrechter aangegeven dat hij het heel erg verdrietig vindt dat hij zijn broertje nauwelijks ziet; hij begrijpt niet waarom dat zo is. Ook voor de moeder en de pleegmoeder is dit niet duidelijk. Daarnaast heeft [minderjarige 1] sinds een tijd contact met zijn biologische vader. [minderjarige 1] ziet zijn vader steeds meer en heeft ook goed contact met het gezin en de overige familieleden van de vader (die ook familieleden van [minderjarige 1] zijn). [minderjarige 1] zou graag willen dat de vader hem erkent. [minderjarige 1] en de vader lijken in de veronderstelling te verkeren dat daarvoor een (dure) DNA-test nodig is; dat is echter niet het geval.

De kinderrechter vindt het belangrijk voor [minderjarige 1] dat er meer duidelijkheid komt over bovenstaande punten. Deze zaken zijn al langere tijd bekend, maar zijn niet opgelost. De kinderrechter is van oordeel dat een bijzondere curator moet worden benoemd om deze belangrijke zaken met [minderjarige 1] te bespreken en te bezien wat hierin voor [minderjarige 1] nodig is. De bijzondere curator kan hem in en buiten rechte vertegenwoordigen en al het nodige doen wat in zijn belang is.

Mr. R.A.A.H. van Leur heeft zich bereid verklaard de benoeming tot bijzondere curator van [minderjarige 1] te aanvaarden.

6. De beslissing

De kinderrechter:

Ten aanzien van zaaknummer C/10/722153 / FA RK 26-5141:

beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder], geboren op [geboortedag 2] 1975 in [geboorteplaats 2] , over [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ;

benoemt de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd in Amsterdam, tot voogdes over [minderjarige 1] ;

bepaalt dat de moeder rekening en verantwoording moet afleggen over het door haar gevoerde bewind over het vermogen van [minderjarige 1] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Ten aanzien van zaaknummer C/10/724410 / FA RK 26-6345:

benoemt tot bijzondere curator om [minderjarige 1] te vertegenwoordigen:

mr. R.A.A.H. van Leur, kantoorhoudende aan de [adres] Dordrecht;

bepaalt dat deze benoeming vooralsnog geldt met ingang van heden voor de duur van negen maanden;

en alvorens verder te beslissen:

houdt in afwachting van het verslag van de bijzondere curator de eventuele verdere beslissing aan tot 1 maart 2027 pro forma;

verzoekt de bijzondere curator om uiterlijk op de pro forma datum, of zoveel eerder als in het belang van [minderjarige 1] is, te rapporteren over de situatie op dat moment (rekening houdend met het bepaalde in overweging 5.10 hiervoor).

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van S.M.J. van de Griend als griffier, en op schrift gesteld op 19 augustus 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand