ECLI:NL:RBROT:2026:10696

ECLI:NL:RBROT:2026:10696

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-07-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer 10-109110-25 en 10-291264-24
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Mini-mega Excelsior. Jeugdstrafrecht. Veroordeling voor openlijke geweldpleging en medeplegen diefstal met geweld (overval telefoonwinkel). Verminderde toerekeningsvatbaarheid. Vordering TUL deels toegewezen. Vordering benadeelde partij hoofdelijk toegewezen inclusief SVM en wettelijke rente. De rechtbank legt een deels voorwaardelijke jeugddetentie op met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaren.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10-109110-25

Parketnummer vordering TUL: 10-291264-24

Datum uitspraak: 21 juli 2026

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009,

ingeschreven in de basisregistratie personen (en verblijvende) op het adres:

[adres] ,

raadsman mr. R. van den Boogert, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzittingen van 30 juni en 7 juli 2026.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. C.C. Brandwijk heeft gevorderd:

4. Waardering van het bewijs

Bewezenverklaring feit 1 zonder nadere motivering (zaak [zaaknaam] )

Het onder 1 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en nadien is geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Bewijswaardering feit 2 (zaak Excelsior)

Inleiding

Op basis van het dossier en dat wat ter zitting is besproken stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 10 maart 2025 rond 20.35 uur heeft de politie een melding ontvangen dat een grote groep jongeren op het terrein van voetbalvereniging Excelsior ‘20 in Schiedam achter een jongen aan zou rennen en dat de jongen daarbij meerdere keren is gestoken. Ter plaatse gekomen verbalisanten treffen aangever [aangever] (hierna: de aangever) aan bij een sloot aan de zuidwestelijke rand van het terrein van Excelsior ‘20. Hij heeft steekwonden onder zijn ribbenkast, in zijn rechterbovenbeen, rechterbil, linkerbovenbeen, linkeronderbeen en rechterheup. Ook heeft hij een wond in het gezicht bij het linkerjukbeen. De aangever verklaart dat hij door meerdere jongens uit Schiedam Noord is gestoken. Twee dagen eerder was hij op straat door een groep jongens omsingeld en werd hem herhaaldelijk gevraagd: “ben je van kade?” (de rechtbank begrijpt jeugdgroep Kade uit Rotterdam). Twee van hen zag de aangever ook bij het incident bij Excelsior ’20.

Uit het dossier volgt dat een groep jongens naar Excelsior ‘20 is gekomen. Deze groep heeft zich eerst enige tijd opgehouden buiten het terrein van de voetbalvereniging.Op de camerabeelden van Excelsior ‘20 is te zien dat om 20.27 uur een onbekend gebleven jongen met een elektrische step het terrein van de voetbalvereniging oprijdt en het terrein ongeveer een halve minuut later weer verlaat. Om 20.29 uur rijden een andere onbekend gebleven jongen en medeverdachte [medeverdachte 2] op een elektrische step het terrein op en verlaten dit na ongeveer een minuut weer.

Om 20.33 uur loopt de aangever na zijn training het terrein van Excelsior ‘20 af. Medeverdachte [medeverdachte 1] en de verdachte halen hem in met een elektrische step en enkele seconden later begint de confrontatie met de groep. Een aantal jongens rent naar de aangever toe. De aangever loopt achteruit en wordt vervolgens door een persoon geslagen. Hierop trekt de aangever een mes, waarna de groep achteruit deinst.

Vervolgens rent de aangever het terrein van Excelsior ‘20 op. De twee onbekend gebleven personen en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] rennen de aangever als eerste achterna. Medeverdachte [medeverdachte 4] komt vervolgens ook het terrein op, wijst anderen op een kortere route in de richting van de aangever en rent die kant op. De jongens die daarna het terrein oprennen volgen hem. Dit zijn de verdachte en medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] . De aangever probeert te ontkomen via een pad langs het voetbalveld, rent vervolgens over een voetbalveld en daarna richting de bosjes en een sloot aan de rand van het terrein. Uit de camerabeelden volgt dat in ieder geval 13 personen diezelfde route nemen.

Van het laatste deel van de achtervolging van de aangever en van het steken zelf zijn geen camerabeelden beschikbaar. Getuigen hebben echter verklaard dat een grote groep jongens over het veld achter de aangever aan rende, dat meerdere van hen messen hadden en dat de aangever werd omsingeld. Uit de verklaring van de aangever volgt dat hij op enig moment niet verder kon rennen omdat hij bij een sloot aankwam. Daar is de aangever zes keer gestoken door ten minste twee personen met een mes. Om 20.37 uur rennen alle jongens kort achter elkaar het terrein weer af.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte stelt zich op het standpunt dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. De enkele aanwezigheid van de verdachte op het voetbalterrein is onvoldoende voor een veroordeling. De verdachte heeft geen aandeel gehad in het geweld.

Beoordeling

Van het ‘in vereniging’ plegen van geweld is sprake indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld. Deze bijdrage behoeft zelf niet van gewelddadige aard te zijn. Anderzijds is de enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die daaraan deelneemt. Beoordeeld dient te worden of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De rechtbank overweegt daarover het volgende. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de verdachte tot de groep jongens behoorde die naar voetbalclub Excelsior ‘20 is gegaan en buiten het terrein heeft gestaan. Een getuige heeft iemand in de groep horen zeggen: “Komt die boy nog?”. De verdachte heeft verklaard dat hij de enige was die een elektrische step bij zich had en dat hij deze een paar keer heeft uitgeleend. Kort voor de confrontatie rijden tot twee keer toe personen uit de groep op de elektrische step het terrein op en binnen korte tijd weer af. Ook is de verdachte in de minuten voor en tijdens het begin van de confrontatie buiten het terrein samen met [medeverdachte 1] te zien op de elektrische step. In de groep zijn jongens die een mes bij zich hebben. Nadat de aangever het terrein afloopt, vindt vrijwel direct de confrontatie met de groep plaats, waarbij meerdere jongens uit de groep op hem afrennen en hij wordt geslagen. Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat de groep naar voetbalvereniging Excelsior ‘20 is gegaan om de aangever op te wachten en een confrontatie met hem aan te gaan, waarbij de ritjes op de step dienden om te kijken of de aangever er al aankwam. De verdachte maakte deel uit van deze groep en heeft naar het oordeel van de rechtbank actief meegedaan met het opzoeken van de aangever om de confrontatie met hem aan te gaan.

Nadat de aangever was geslagen en weggerend, reed de verdachte als zesde achter hem aan het terrein van Excelsior ‘20 op. De verdachte heeft vervolgens met de groep de aangever opgejaagd door over het terrein achter hem aan te blijven gaan tot de aangever niet meer verder kon, terwijl meerdere jongens uit de groep messen vast hadden. Een getuige heeft iemand uit de groep horen zeggen “We hebben hem ingesloten, hij kan geen kant op”. De verdachte nam actief deel aan de aanvalsgolf van de groep richting de aangever, welke aanvalsgolf eindigde in het omsingelen, dan wel insluiten, en het steken van de aangever. De verklaring van de verdachte dat hij tot het eerste veld is gereden, dat hij daar stil is gaan staan en met omstanders stond te kijken wat er gebeurde en dat hij vervolgens al wegreed voordat de medeverdachten weer terug kwamen rennen, vindt op geen enkele wijze steun in het dossier.

Hoewel niet is vast te stellen dat de verdachte een van de personen is geweest die de aangever heeft gestoken, concludeert de rechtbank dat de verdachte door te handelen als hiervoor vermeld opzet heeft gehad, in elk geval in voorwaardelijke zin, op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd onder feit 2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het als feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het onder 1 bewezen verklaarde heeft bekend en nadien geen vrijspraak is bepleit. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1

hij op of om<em>sem>treek<em>sem> 25 maart 2025 te Schiedamtezam<em><em>enem>em> <em><em>enem>em> in ver<em><em>enem>em>iging met e<em><em>enem>em> of meer ander<em><em>enem>em>, althan<em>sem> alle<em><em>enem>em>,geld <em><em>enem>em>/of mobiele telefoon<em>sem> (merk iPhone <em><em>enem>em>/of Sam<em>sem>ung) <em><em>enem>em>/of dummy telefoon<em>sem><em><em>enem>em>/of telefoonhouder<em>sem>, in elk geval <em><em>enem>em>ig(e) goed(er<em><em>enem>em>), dat/die geheel of t<em><em>enem>em> deleaan winkel [naam winkel] (geve<em>sem>tigd op de [adre<em>sem> winkel] te Schiedam) <em><em>enem>em>/of [<em>sem>lachtoffer 1] , inelk geval aan e<em><em>enem>em> ander dan aan verdachte <em><em>enem>em>/of zijn mededader(<em>sem>) toebehoorde(n)heeft wegg<em><em>enem>em>om<em><em>enem>em> met het oogmerk om <em>dezeem> zich wederrechtelijk toe te eig<em><em>enem>em><em><em>enem>em>,terwijl <em>dezeem> dief<em>sem>tal werd voorafgegaan, <em><em>enem>em> vergezeld <em><em>enem>em>/of gevolgd van geweld <em><em>enem>em>/ofbedreiging met geweld teg<em><em>enem>em> [<em>sem>lachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die dief<em>sem>talvoor te bereid<em><em>enem>em> <em><em>enem>em> gemakkelijk te mak<em><em>enem>em>, of om, bij betrapping op heterdaad, aanzichzelf of andere deelnemer<em>sem> aan het mi<em>sem>drijf hetzij de vlucht mogelijk te mak<em><em>enem>em>,hetzij het bezit van het ge<em>sem>tol<em><em>enem>em>e te verzeker<em><em>enem>em>, doorterwijl hij, verdachte, <em><em>enem>em>/of zijn mededader(<em>sem>) zijn/hun gezicht(<em><em>enem>em>) had(d<em><em>enem>em>) bedektmet e<em><em>enem>em> bivakmut<em>sem> danwel gezicht<em>sem>bedekk<em><em>enem>em>de kleding <em><em>enem>em>/of e<em><em>enem>em> capuchon,- (e<em><em>enem>em>) vuurwap<em><em>enem>em>(<em>sem>), althan<em>sem> (e<em><em>enem>em>) op e<em><em>enem>em> vuurwap<em><em>enem>em><em>sem> gelijk<em><em>enem>em>de voorwerp(<em><em>enem>em>), aandie [<em>sem>lachtoffer 1] te ton<em><em>enem>em> <em><em>enem>em>/of met dat/die e<em><em>enem>em> vuurwap<em><em>enem>em>(<em>sem>), althan<em>sem> (e<em><em>enem>em>) op e<em><em>enem>em> vuurwap<em><em>enem>em>gelijk<em><em>enem>em>d voorwerp(<em><em>enem>em>), richting die [<em>sem>lachtoffer 1] te lop<em><em>enem>em> <em><em>enem>em>/of- die dat vuurwap<em><em>enem>em>(<em>sem>), althan<em>sem> (e<em><em>enem>em>) op e<em><em>enem>em> vuurwap<em><em>enem>em> gelijk<em><em>enem>em>d voorwerp(<em><em>enem>em>), op die[<em>sem>lachtoffer 1] te richt<em><em>enem>em> <em><em>enem>em>/of gericht te houd<em><em>enem>em> op het hoofd <em><em>enem>em>/of lichaam van die [<em>sem>lachtoffer 1] <em><em>enem>em>/ofteg<em><em>enem>em> het hoofd van die [<em>sem>lachtoffer 1] te zett<em><em>enem>em> <em><em>enem>em>/of- die [<em>sem>lachtoffer 1] naar/op de grond te duw<em><em>enem>em>/dwing<em><em>enem>em> <em><em>enem>em>/of- daarbij te zegg<em><em>enem>em>/roep<em><em>enem>em> "Geld! Geld!" <em><em>enem>em>/of "Blijf ligg<em><em>enem>em> of ik <em>sem>chiet je door jekankerhoofd" <em><em>enem>em>/of "Niet kijk<em><em>enem>em>! Ander<em>sem> <em>sem>chiet ik je in je kankerhoofd" <em><em>enem>em>/of"Hand<em><em>enem>em> omhoog! Blijf kanker laag!", althan<em>sem> woord<em><em>enem>em> van gelijke <em>sem>trekking.

2

hij op 10 maart 2025 te Schiedam openlijk, te weten op of aan de Parkweg, in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] , door

meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [aangever]

te steken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen

personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal

gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde

personen

2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op vijftienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten.

Op 10 maart 2025 heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld. De verdachte is samen met een groep jongeren op pad gegaan om de confrontatie met het slachtoffer te zoeken. Het slachtoffer is vanuit de groep geslagen, achtervolgd, opgejaagd en vervolgens zes keer gestoken. Door zijn handelen heeft de verdachte gezorgd voor gevoelens van angst en onveiligheid bij het slachtoffer en personen die op dat moment aanwezig waren bij Excelsior ‘20. Samen met de medeverdachten heeft hij een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Uit het dossier leidt de rechtbank af dat de aanleiding van het geweld gezocht moet worden in een conflict tussen twee rivaliserende jeugdgroepen. De betrokkenen zelf zwijgen daarover en ontkennen daarvan deel uit te maken. De rechtbank maakt zich er ernstig zorgen over dat tussen jeugdgroepen over en weer geweld wordt gepleegd en wapenbezit onder jongeren gemeengoed lijkt te zijn geworden. Het voorhanden hebben van wapens leidt tot het risico op het gebruik daarvan en dit leidt tot steeds meer geweldsincidenten, met vaak zeer ernstige afloop. Het moet duidelijk zijn dat dit geweld en de daarmee gepaard gaande onrust en onveiligheid in de samenleving niet wordt getolereerd en dat daartegen streng wordt opgetreden.

Vervolgens heeft de verdachte op 25 maart 2025 samen met anderen een telefoonwinkel in Schiedam overvallen, waarbij de medeverdachten in het bezit waren van een vuurwapen of iets dat daar sterk op lijkt. Eén van de medeverdachten heeft daarmee gedreigd door het op het slachtoffer te richten, het tegen zijn hoofd te houden terwijl het slachtoffer weerloos op de grond lag en te schreeuwen dat het slachtoffer zou worden doodgeschoten. De verdachten hebben telefoons en geld uit de winkel gepakt en zijn vervolgens de winkel uit gerend met de buit. Met hun handelen hebben de verdachten het slachtoffer in een ongekend angstaanjagende situatie gebracht. Het slachtoffer was letterlijk doodsbang en heeft gevreesd voor zijn leven. De wijze waarop de verdachte en de medeverdachten hebben gehandeld getuigt van een volledig gebrek aan respect voor de bezittingen en de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen nog gedurende langere tijd nadelige psychische gevolgen van een de gebeurtenis ondervinden. Uit de vordering tot schadevergoeding blijkt dat dit ook bij het slachtoffer het geval is. Daarnaast versterkt dergelijk intimiderend en gewelddadig gedrag de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit.

Rapportages en de verklaring van de deskundige op de terechtzitting

Psycholoog [psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 21 oktober 2025. Dit rapport houdt voor zover van belang het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van een oppositionele-opstandige stoornis en zwakbegaafdheid. Er worden tekortkomingen gezien in zwakke emotieregulatie, zwakke probleemoplossingsvaardigheden en een wantrouwende attributiestijl. De verdachte is geneigd om eigen behoeftes boven die van anderen te zetten. Wanneer hij hierop wordt aangesproken ervaart hij dit als onrechtmatig en een krenking die hij vanuit zijn zelfbeschermende ego-ontwikkeling niet het hoofd kan bieden. Bovengenoemd beeld strekt zich uit over en langere periode en was ook tijdens het tenlastegelegde aanwezig.

De gebrekkige ontwikkeling van zijn probleemoplossend vermogen en zijn zwakke ego-ontwikkeling lijken grotendeels verklarend te zijn voor de diefstal met geweld. Derhalve wordt geadviseerd betrokkene de diefstal met geweld in licht verminderde mate toe te rekenen. Over de openlijke geweldpleging kan geen advies worden gegeven over de toerekenbaarheid van de verdachte, nu de verdachte dit feit ontkent.

Betrokkene is beïnvloedbaar en is zonder externe structuur, sturing en toezicht geneigd zijn eigen belang voorop te stellen. Tot op heden lijken ouders onvoldoende in staat om dit toezicht en de sturing adequaat vorm te geven. Het risico op recidive van gewelddadige delicten wordt, zonder inzet van verdere hulpverlening, op grond van bovenstaande als matig tot hoog ingeschat.

Om de kans op recidive te verkleinen, is het van belang dat de verdachte leert om emoties te herkennen en daar adequaat mee om te gaan. Er is onvoldoende probleembesef en probleeminzicht, hierin heeft hij de ondersteuning en begeleiding van anderen nodig. Gelet op de leeftijd en de zorgen is het van belang dat er systemische behandeling komt, waarbij wordt gedacht aan FAST vanuit de Waag (of een soortgelijke instelling). Daarnaast wordt een coach van E25 geadviseerd om hem daarbij te ondersteunen Ook wordt geadviseerd om een jeugdreclasseringstoezicht bijzondere voorwaarde op te leggen.

De Raad heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 24 juni 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Er zijn verschillende risicofactoren die de kans op recidive vergroten, waaronder impulsiviteit en moeite hebben om oplossingen te bedenken bij situaties die tot problemen kunnen leiden. De verdachte komt over als een kwetsbaar en beïnvloedbaar persoon. Een andere risicofactor is het gebrek aan vrijetijdsbesteding. De beschermende factoren liggen op het gebied van zijn thuissituatie, school, relaties en houding. Op school gaat het goed en de verwachting is dat hij zal doorstromen naar zijn vervolgopleiding. De Raad sluit zich aan bij de bevindingen van de psycholoog en geeft aan dat het voor de ontwikkeling van de verdachte belangrijk is dat hij veel duidelijkheid en strakke kaders krijgt. Ook zal moeten worden ingezet op psycho-educatie en het vergroten van zijn weerbaarheid en vaardigheden. Bij een bewezenverklaring wordt geadviseerd een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte meewerkt aan begeleiding van de jeugdreclassering, dat hij meewerkt aan FAST van de Waag, dat hij onderwijs volgt volgens zijn rooster en/of beschikt over een positieve dagbesteding, dat hij meewerkt aan hulpverlening die de jeugdreclassering nodig vindt en dat hij zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers.

JBRR, ter zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] , heeft toegelicht dat de verdachte zich de afgelopen periode goed aan alle afspraken met de jeugdreclassering heeft gehouden. Wel is zorgelijk dat de verdachte weinig probleembesef heeft. Eerder heeft de hulp van een jongerencoach niet het gewenste effect gehad, omdat de gesprekken niet de diepte in gingen. Na de zomer kan systeemtherapie starten en daar zal hij zich meer voor moeten openstellen. Zijn ouders staan hier ook voor open.

De rechtbank heeft acht geslagen op de rapporten en wat ter terechtzitting door JBRR naar voren is gebracht.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Toerekeningsvatbaarheid

De conclusies van de psycholoog worden gedragen door haar bevindingen. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. Nu bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis en een verstandelijke beperking, deze ook tijdens de diefstal met geweld aanwezig waren en deze de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van dit feit hebben beïnvloed, acht de rechtbank de verdachte voor dit feit licht verminderd toerekeningsvatbaar. De rechtbank zal de verdachte ook voor de bewezenverklaarde openlijke geweldpleging licht verminderd toerekeningsvatbaar verklaren, nu de stoornis en beperking ten tijde van dit feit ook aanwezig waren en het handelen en de gedragskeuzes van de verdachte ten tijde van dit feit passen bij de problematiek zoals deze in het rapport van de psycholoog wordt beschreven.

Straf

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie. Bij de bepaling van de duur van de jeugddetentie heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS).

De rechtbank houdt er bij het bepalen van de straf in het voordeel van de verdachte rekening mee dat de verdachte in de schorsingsperiode zijn afspraken met de jeugdreclassering na is gekomen en dat hij op school goed zijn best doet. Wat de rechtbank wel zorgelijk acht, is dat de feiten zijn gepleegd in een proeftijd voor een ander fors geweldsfeit. Ook houdt de rechtbank rekening met de houding van de verdachte die hij op zitting heeft laten zien. Daaruit blijkt dat de verdachte, ten aanzien van de diefstal met geweld, verantwoordelijkheid zegt te nemen, maar dat hij zijn betrokkenheid daarbij bagatelliseert en naar de medeverdachten wijst. De rechtbank herkent het beeld dat volgt uit de rapportage van de psycholoog dat de verdachte weinig zelfinzicht en probleembesef heeft en afwerend reageert als hij ergens op wordt aangesproken. De rechtbank acht het daarom van groot belang voor een adequate ontwikkeling van de verdachte dat de behandeling en begeleiding van de verdachte de komende periode wordt voortgezet en geïntensiveerd. De verdachte heeft ter zitting aangegeven hier ook voor open te staan.

Mede gelet op de rapportages zal de rechtbank een deel van de jeugddetentie voorwaardelijk opleggen, met de bijzondere voorwaarden die hierna worden genoemd. Het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie wordt gelijk gesteld aan het voorarrest, zodat de verdachte niet meer terug hoeft naar de jeugdgevangenis. De bijzondere voorwaarden dienen om de verdachte de benodigde behandeling, structuur en hulpverlening te bieden en het recidiverisico te verkleinen. De voorwaardelijke straf dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet - anders dan de officier van justitie - onvoldoende aanleiding om een contactverbod met slachtoffer [slachtoffer 1] op te leggen. Dat zou dan nu, meer dan een jaar na het strafbare feit, voor het eerst aan de verdachte worden opgelegd terwijl er geen aanwijzingen zijn dat dat alsnog noodzakelijk is. Wel acht de rechtbank voortzetting van het contactverbod met slachtoffer [slachtoffer 2] aangewezen. De rechtbank zal ook nog langer een contactverbod opleggen met de medeverdachten voor de duur van maximaal een jaar of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd, [benadeelde] , ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 3.000,- aan immateriële schade en € 1.000, - aan nader te onderbouwen schade, vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijkheid en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en integraal kan worden toegewezen vermeerderd met de wettelijke rente, hoofdelijkheid en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt verdediging

De vordering is door de verdediging niet betwist.

Beoordeling

Vaststaat dat de benadeelde partij door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade heeft geleden. Het bewezenverklaarde feit heeft onder meer geleid tot een onveilig gevoel, stressklachten en spanning bij het slachtoffer. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de aard en ernst van normschending en de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij sprake is van aantasting in persoon op andere wijze. De rechtbank zal de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid vaststellen op een bedrag van € 3.000,-. De gevorderde immateriële schadevergoeding zal dus geheel worden toegewezen.

De vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de nader te onderbouwen schade is onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier en de toelichting ter zitting blijkt onvoldoende wat de aard en omvang van die schade is of kan zijn. De rechtbank zal de benadeelde partij voor de gevorderde nader te onderbouwen schadevergoeding daarom afwijzen.

Hoofdelijke veroordeling

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover een van de mededaders de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Wettelijke rente

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 25 maart 2025.

Schadevergoedingsmaatregel

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

Nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 3.000,- vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

9. Vordering tenuitvoerlegging

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 5 november 2024 van de kinderrechter van deze rechtbank is de verdachte ter zake van het plegen van een poging tot diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie van 150 dagen, waarvan 133 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 20 november 2024.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering deels moet worden toegewezen, te weten voor de duur van 65 dagen jeugddetentie, en voor de overige 68 dagen moet worden afgewezen.

Standpunt verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen en subsidiair dat de proeftijd moet worden verlengd met een jaar. Het risico bestaat anders dan de verdachte wordt overvraagd en de positieve ontwikkelingen die nu in gang zijn gezet, zoals school en het volgen van therapie, teniet worden gedaan.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. De verdachte dient dan ook de gevolgen van zijn handelen te ondervinden.

De vordering wordt gedeeltelijk toegewezen. Gelet op hetgeen onder 7 van dit vonnis is overwogen, wordt aanleiding gezien om een deel van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie ten uitvoer te leggen en dat deel om te zetten in een taakstraf in de vorm van een werkstraf. Een gehele tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie acht de rechtbank niet opportuun, nu zowel de maatschappij als de veroordeelde daar niet bij gebaat zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat de veroordeelde het nu goed doet op school en binnenkort behandeling krijgt. De rechtbank gelast daarom de tenuitvoerlegging van de bij parketnummer 10-291264-24 opgelegde jeugddetentie voor de duur van 50 dagen en bepaalt dat deze jeugddetentie wordt omgezet in een taakstraf voor de duur van 100 uren, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie. De vordering wordt voor het overig verzochte afgewezen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 246 (tweehonderdzesenveertig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 200 (tweehonderd) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna ook: jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zal meewerken aan een behandeling zoals Forensische Ambulante Systeem Therapie bij de Waag voor of een soortgelijke instelling;

- zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een positieve dagbesteding, in de vorm van onderwijs en/of stage en zich zal houden aan de daar geldende regels en afspraken;

- zich zal inspannen voor het hebben en behouden van een positieve vrijetijdbesteding in de vorm van sport en/of een bijbaan;

- voor de maximale duur van één jaar of zoveel korter als de jeugdreclassering nodig acht, op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- [medeverdachte 4] , geboren op [geboortedag 2] 2008;

- [medeverdachte 5] , geboren op [geboortedag 3] 2009;

- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedag 4] 2008;

- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedag 5] 2007;

- [medeverdachte 6] , geboren op [geboortedag 6] 2007;

- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedag 7] 2010;

- gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met slachtoffer:

- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 8] 2009;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarde/n

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst;

gelast de tenuitvoerlegging van een deel van de bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank van 5 november 2024 onder parketnummer 10-291264-24 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie, te weten een deel van 50 (vijftig) dagen en bepaalt dat dit wordt omgezet in een taakstraf in de vorm van een werkstraf, voor de duur van 100 (honderd) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

wijst de gevorderde tenuitvoerlegging voor het overige af;

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde], te betalen een bedrag van € 3.000,00 (zegge: drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededader(s) van de verdachte aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] af voor het resterende deel van de vordering;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde] te betalen € 3.000,00 (hoofdsom, zegge: drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 maart 2025 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij [benadeelde], waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S. Riege, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J.C.M. Persoon en A.L. Pöll, kinderrechters,

in tegenwoordigheid van mr. J. van Cortenberghe - van Dam, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 juli 2026.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Schiedam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

geld en/of mobiele telefoons (merk iPhone en/of Samsung) en/of dummy telefoons

en/of telefoonhouders, in elk geval enig(e) goed(eren), dat/die geheel of ten dele

aan winkel [naam winkel] (gevestigd op de [adres winkel] te Schiedam) en/of [slachtoffer 1] , in

elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n)

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan

zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) zijn/hun gezicht(en) had(den) bedekt

met een bivakmuts danwel gezichtsbedekkende kleding en/of een capuchon,

- ( een) vuurwapen(s), althans (een) op een vuurwapen gelijkend voorwerp(en), aan

die [slachtoffer 1] te tonen en/of met dat/die vuurwapen(s), althans (een) op een vuurwapen

gelijkend voorwerp(en), richting die [slachtoffer 1] te lopen en/of

- die vuurwapen(s), althans (een) op een vuurwapen gelijkend voorwerp(en), op die

[slachtoffer 1] te richten en/of gericht te houden op het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of

tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te zetten en/of

- die [slachtoffer 1] naar/op de grond te duwen/dwingen en/of

- daarbij te zeggen/roepen "Geld! Geld!" en/of "Blijf liggen of ik schiet je door je

kankerhoofd" en/of "Niet kijken! Anders schiet ik je in je kankerhoofd" en/of

"Handen omhoog! Blijf kanker laag!", althans woorden van gelijke strekking;

2

hij op 10 maart 2025 te Schiedam

openlijk, te weten op of aan de Parkweg, in elk geval op of aan de openbare weg

en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer 2] , door

meermalen met een mes in de buik, de benen en de bil van die [slachtoffer 2]

te steken.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand