Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-035657-26
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
Datum zitting: 29 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats]
ingeschreven op het adres van penitentiaire inrichting: [adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in [naam PI].
Advocaat van de verdachte: mr. C.H.J. van Dooijeweert
Officier van justitie: mr. S.I.E. de Graaff
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij heeft geprobeerd om zijn echtgenote van het leven te beroven of haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar met een mes te steken of slaan.
De volledige tenlastelegging (hierna beschuldiging) houdt in dat
hij op of omstreeks 1 februari 2026 en/of 2 februari 2026 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten zijn echtgenote/levensgezel, althans een persoon, [slachtoffer], van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een mes in/op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestoken en/of geslagen,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
2. Vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de impliciet primair ten laste gelegde poging doodslag. De verdediging heeft zich ten aanzien van de impliciet subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de impliciet primair tenlastegelegde doodslag en van de impliciet subsidiair tenlastegelegde poging zware mishandeling en overweegt daarover het volgende.
De verdachte en zijn echtgenote bevonden zich in de woning van de moeder van de verdachte. Zij zijn naar de oude slaapkamer van de verdachte gegaan om daar te praten. Het slachtoffer heeft verklaard dat zij een trui uit de kast voor de verdachte ging pakken. Vervolgens voelde zij een stekende pijn aan haar hoofd toen zij zich omdraaide. Zij heeft verder niets gezien en heeft ook niet gezien waar de verdachte dat mee gedaan had.
Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer daarna is gaan gillen, waarna familieleden en andere aanwezigen in de woning, de slaapkamer binnen zijn gekomen. Een kennis van de familie heeft een keukenmes, met een in drie stukken gebroken lemmet, van de grond geraapt. De verdachte is door zijn vader in bedwang gehouden.
Politieagenten zijn na een melding naar de woning gegaan en hebben daar het slachtoffer aangetroffen, liggend op de bank met bebloede handdoeken op haar hoofd. Uit de informatie in het dossier blijkt dat het slachtoffer snijverwondingen op haar achterhoofd, net boven haar linkeroor, heeft opgelopen die met enkele hechtingen zijn gedicht.
De verdachte heeft verklaard dat hij met het mes een zwaaiende beweging heeft gemaakt naar het hoofd van zijn vrouw, omdat hij haar bang wilde maken. In het proces-verbaal van zijn verhoor bij de politie is opgenomen dat de verdachte dat heeft voorgedaan en daarbij eerst drie zwaaiende en later drie steekbewegingen heeft gemaakt. Tijdens de zitting heeft de verdachte verklaard dat het één zwaaiende beweging is geweest.
De rechtbank stelt vast dat de informatie in het dossier over de feitelijke toedracht van het incident beperkt is. In feite is er niet meer informatie dan de verklaring van de verdachte dat hij met een mes heeft gezwaaid bij het hoofd van zijn vrouw, dat er een mes met een gebroken lemmet in de slaapkamer is aangetroffen en dat er oppervlakkige snijverwondingen te zien waren aan het hoofd van het slachtoffer. Er waren geen getuigen bij het incident aanwezig en ook anderszins bevindt zich geen bewijs van de feitelijke gang van zaken in het dossier. Zo is niet bekend – en kan ook niet worden vastgesteld – op welke afstand de verdachte en het slachtoffer van elkaar stonden en hoe precies en met welke kracht hij de beweging met het mes heeft gemaakt. Verder kan niet worden vastgesteld waardoor het mes is gebroken.
Het een enkele keer of enige keren zwaaien of steken met een keukenmes in de richting van het hoofd van iemand, levert – zonder andere bijkomende omstandigheden dan die hiervoor zijn genoemd – in zijn algemeenheid onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat daardoor voor het slachtoffer de aanmerkelijke kans bestond dat zij het leven zou laten of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ook kan niet worden vastgesteld dat de verdachte die kans dan bewust zou hebben aanvaard. De verdachte wordt daarom vrijgesproken.
3. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de impliciet primair en impliciet subsidiair tenlastegelegde feiten heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
4. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. I. Bouter, voorzitter,
en mrs. A.M.H. Geerars en E. Stam, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 12 augustus 2026.
Mrs. Bouter en Stam zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.