RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Parketnummer: 10.233695.20
v.i. nummer: 89.000063.47
raadkamernummer: 26.019693
beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van het Wetboek van Strafvordering van:
[veroordeelde],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteland],
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
nu gedetineerd in [naam PI],
hierna te noemen: de veroordeelde.
Raadsvrouw: mr. D.H.M. Graumans.
Feiten
Het gerechtshof Den Haag heeft de veroordeelde bij arrest van 15 december 2022 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar. Deze straf is op 30 december 2022 onherroepelijk geworden.
De veroordeelde is op 14 september 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd van 730 dagen.
Het Openbaar Ministerie heeft op 18 juni 2026 beslist de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde gedeeltelijk te herroepen voor de duur van 120 dagen. De reden hiervoor is dat de veroordeelde op 21 mei 2026 door de rechtbank Noord-Holland is veroordeeld wegens rijden onder invloed en het tonen van een vals rijbewijs.
Een kennisgeving van de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 10 juli 2026 aan de veroordeelde betekend.
Procedure
Het bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 8 juli 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
De rechtbank heeft op 11 augustus 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld.
De veroordeelde is niet in raadkamer verschenen omdat geen transport was geregeld vanuit [naam PI]. De veroordeelde heeft via zijn raadsvrouw laten weten dat hij, ondanks zijn afwezigheid, wenst dat de zaak behandeld wordt.
De rechtbank heeft de raadsvrouw en de officier van justitie in raadkamer gehoord.
Bezwaar
De veroordeelde kan zich niet verenigen met de beslissing van het Openbaar Ministerie om de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde gedeeltelijk te herroepen.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat de (nog niet onherroepelijke) veroordeling van 21 mei 2026 feiten betreft die naar aard en strekking wezenlijk verschillen van het feit waarvoor de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid is gesteld. Voorts is onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke belangen van de veroordeelde. Het gaat momenteel goed met hem, hetgeen bevestigd wordt door de reclassering. Hij heeft een gezin en woont samen met zijn partner en kindje. De veroordeelde draagt de verantwoordelijkheid voor de financiën binnen het gezin. Hij verdient zijn geld met het zingen in een band. Door zijn huidige detentie zijn deze inkomsten komen te vervallen en heeft hij geplande opdrachten moeten cancelen. Daarnaast kampt zijn vrouw na een traumatische bevalling met mentale klachten. De veroordeelde wil haar ondersteuning bieden.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voldaan is aan de eisen om de voorwaardelijke invrijheidstelling te herroepen. De veroordeelde is op 21 mei 2026 opnieuw veroordeeld voor twee misdrijven. Volgens de Aanwijzing voorwaardelijke invrijheidsstelling dient de voorwaardelijke invrijheidstelling in dat geval herroepen te worden. De toetsing die voor ligt bij de rechtbank betreft een marginale toets. De vraag is of het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot deze beslissing heeft kunnen komen. Het antwoord daarop is ja. Een voorwaardelijke invrijheidstelling betreft geen recht. Een veroordeelde dient zich aan de voorwaarden te houden waaronder het niet opnieuw plegen van strafbare feiten. Het Openbaar Ministerie heeft besloten tot een gedeeltelijke herroeping en dat is een passende reactie op de nieuwe veroordeling.
Beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen, omdat de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde in onvoldoende mate zijn meegewogen. Het gaat momenteel goed met de veroordeelde, zoals blijkt uit het reclasseringsrapport en de toelichting van zijn raadsvrouw op zitting. Veroordeelde heeft zich gedurende de proeftijd die al bijna was afgelopen aan de bijzondere voorwaarden en opgestelde doelen gehouden. Daarnaast onderhoudt hij met zijn inkomsten zijn gezin en biedt hij ondersteuning aan zijn vrouw. Een detentie doorkruist dit alles. Dit is onvoldoende afgewogen tegen de twee (relatief matig ernstige) misdrijven.
Beslissing
De rechtbank verklaart het bezwaar gegrond en bepaalt dat de veroordeelde onmiddellijk voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld.
Deze beslissing is gegeven door:
mr. J.H. Janssen, voorzitter,
mrs. M. Timmerman en A.M. Nuijens rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H. Tchang, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2026.