RECHTBANK Rotterdam
Handel en haven
Zaaknummer: C/10/707660 / HA ZA 25-860
Vonnis van 26 augustus 2026
in de zaak van
[eiser] , die handelt onder de naam [naam bedrijf],
te [plaatsnaam],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. E. Sonneveld,
tegen
1. [gedaagde 1],
te Vlaardingen,2. [gedaagde 2],
te Vlaardingen,
gedaagde partijen,
hierna afzonderlijk te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
advocaat: mr. M.J. op 't Ende.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 september 2025, met producties 1 t/m 12;- de conclusie van antwoord;- de uitnodiging voor de zitting en de zittingsagenda;
- de akte overleggen producties en eiswijziging/-vermeerdering van [eiser], met producties 13 t/m 21;
- de mondelinge behandeling van 9 april 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. E. Sonneveld;
- de spreekaantekeningen van mr. M.J. op ’t Ende.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[eiser] heeft als aflos-/walkapitein gewerkt op de binnenvaartschepen ‘[schip 1]’ en ‘[schip 2]’ (hierna te noemen: ‘de schepen’). De schepen zijn eigendom van [gedaagde 2]. [gedaagde 1] is manager van de schepen en verzorgt goederenvervoer over binnenwateren door middel van tankvaart. [naam 1] (hierna te noemen: ‘[naam 1]’) is bestuurder van zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2].
[eiser] factureerde de door hem uitgevoerde werkzaamheden aan [gedaagde 1]. Het dagtarief van de werkzaamheden door [eiser] bedroeg € 400,00 exclusief btw. Kosten die [eiser] maakte voor benodigd materiaal berekende hij ook door aan [gedaagde 1].
[eiser] huurde [naam 2] in om ook werkzaamheden te verrichten op de schepen. De kosten voor de door [naam 2] verrichte werkzaamheden heeft [eiser] – in overleg met [naam 1] – via zijn facturen bij [gedaagde 1] in rekening gebracht. Het dagtarief van [naam 2] bedroeg € 350,00 exclusief btw.
Op 2 november 2023 heeft [eiser] een e-mail aan [gedaagde 2] gestuurd over de facturatie:
“Ik ga de factuur van verleden maand opmaken…
Hoe zat dat ook alweer om het jullie gemakkelijker te maken?”
[gedaagde 2] reageert direct dezelfde dag per e-mail als volgt:
“Graag de factuur op [gedaagde 1]
Zou je wel een soort van specificatie kunnen meesturen op welke boot je hebt gewerkt…”
Voor de verrichte werkzaamheden en kosten voor materiaal zijn de volgende facturen door [eiser] aan [gedaagde 1] verzonden:
- factuur 3624 van 3 juni 2024 voor € 6.171,00;
- factuur 2824 van 2 augustus 2024 voor € 10.769,00;
- factuur 2924 van 2 september 2024 voor € 19.943,21;
- factuur 31024 van 3 oktober 2024 voor € 21.598,50;
- factuur 41124 van 4 november 2024 voor € 18.755,00;
- factuur 19225 van 19 februari 2025 voor € 1.936,00;
- factuur van 30 juni 2025 voor € 1.452,00.
Deze facturen zijn niet betaald.
Op 9 april 2025 heeft [naam 1] aan [eiser] een e-mail verstuurd waarin staat:
“Het verleden laten we -full final- achter ons tegen een bedrag van Euro 30.000 excl. BTW, te betalen in 3 maandelijkse termijnen. De eerste betaling binnen 1 week.”
[eiser] reageert op 10 april 2025 per e-mail, waarin hij schrijft:
“Dan wel via de advocaat, om de zaken echt officieel af te spreken en niet op z’n decoils, 3 maandelijkse termijnen 10.000 ex de btw. De eerste binnen een week. Dan kunnen we het ook per direct loslaten, en hebben we ook een communicatie stop.
Dan hebben jullie een ‘koopje’ voor de geleverde diensten, en gaan we ieder onze eigen weg. Dan hoeft er geen plan voor de rest, en ronden we het hierbij en hiermee direct af.”
Op 17 april 2025 en 18 juni 2025 heeft [gedaagde 1] een betaling aan [eiser] gedaan.
Op 26 augustus 2025 is [gedaagde 1] aangemaand om de derde termijn van € 12.100,00 inclusief btw aan [eiser] te betalen.
Namens [eiser] is op 2 september 2025 een brief aan [gedaagde 1] verstuurd waarin staat:
“Op grond van bovenstaande tekortkoming ontbind ik namens clienten de overeenkomst met betrekking tot de betaalafspraak en vorder ik namens clienten betaling van de openstaande facturen, waarop in mindering strekken de reeds betaalde bedragen aan FDM.”
3. Het geschil
[eiser] vordert – na vermeerdering van eis – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
a. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 53.349,31 inclusief btw, te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten van € 1.308,49 en de wettelijke handelsrente vanaf 6 september 2025;
b. [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling van € 1.452,00 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 14 juli 2025;
subsidiair:
c. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 12.100,00 inclusief btw;
primair en subsidiair:
d. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van deze procedure, met nakosten.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun betalingsverplichting aan hem moeten nakomen en daarom zijn facturen moeten betalen. [eiser] heeft namelijk in opdracht van [naam 1] gewerkt op de schepen, andere personen ingeschakeld om op de schepen te werken en materieel geregeld.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eiser], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij een betalingsverplichting aan [eiser] hebben. Zij voeren als verweer aan dat de overeenkomst door [eiser] met [gedaagde 1] is gesloten, zodat er geen wettelijke of contractuele grondslag is op basis waarvan [gedaagde 2] gehouden is tot betaling van de facturen van [eiser]. Daarnaast voeren zij het verweer dat er tussen [gedaagde 1] en [eiser] een vaststellingsovereenkomst is gesloten die tot stand is gekomen door een bindende partijbeslissing van [gedaagde 1] (hierna ‘vso’). Door de bindende partijbeslissing kan de vso niet worden ontbonden en daarom kan [eiser] niet alsnog betaling van zijn facturen vorderen. Mocht [eiser] wel betaling van de facturen kunnen vorderen, dan worden de door [eiser] gefactureerde werkzaamheden betwist.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1]
[eiser] vordert in deze procedure nakoming van een betalingsverplichting door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op grond van een overeenkomst. [eiser] stelt dat hij in de periode van 3 juni 2024 tot en met 26 juni 2025 in opdracht van [naam 1] als (wal)kapitein werd ingezet op de schepen, die tot het concern van de vennootschappen van [naam 1] behoren. Zijn werkzaamheden heeft [eiser] – in overleg met [naam 1] - aan [gedaagde 1] gefactureerd. Daarnaast huurde [eiser] - in dezelfde periode en ook in overleg met [naam 1] - wanneer dat nodig was mensen en materieel in. De kosten hiervan berekende [eiser] via zijn eigen facturen door aan [gedaagde 1]. Volgens [eiser] hebben partijen zo’n tien jaar op deze manier met elkaar samengewerkt en heeft dat nooit tot problemen geleid, tot medio 2024.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij een betalingsverplichting hebben richting [eiser]. Zij voeren aan dat [eiser] zich jegens [gedaagde 1] heeft verbonden om werkzaamheden uit te voeren op de schepen. Op de zitting is toegelicht dat [gedaagde 2] eigenaar is van de schepen, maar dat [gedaagde 1] zorgdraagt voor de exploitatie en dat zij ook over de financiën gaat. Tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn daarover afspraken gemaakt. Voor [gedaagde 2] bestaat daarom geen wettelijke of contractuele basis voor een betalingsverplichting aan [eiser]. Ook voor [gedaagde 1] bestaat geen betalingsverplichting aan [eiser] omdat tussen partijen een vso is gesloten op basis van een bindende partijbeslissing, zo stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Omdat er sprake is van een bindende partijbeslissing, kan de vso ook niet worden ontbonden. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] heeft [eiser] met het sluiten van de vso zijn vordering prijsgegeven en kan hij geen aanspraak meer maken op betaling van zijn facturen. Wanneer [eiser] toch aanspraak kan maken op betaling van zijn facturen, betwisten [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de door [eiser] in rekening gebrachte werkzaamheden. De werkzaamheden zouden namelijk niet te herleiden zijn tot een opdracht en/of een werkplanning en ook staat niet vast dat de werkzaamheden in volle omvang zijn uitgevoerd.
Voordat kan worden beoordeeld of er een betalingsverplichting voor [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] richting [eiser] bestaat, moet eerst de vraag worden beantwoord met wie [eiser] een overeenkomst (van opdracht) heeft gesloten. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en de aanvaarding daarvan. Het antwoord op de vraag of een overeenkomst tot stand is gekomen, is afhankelijk van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Aanbod en aanvaarding hoeven niet uitdrukkelijk plaats te vinden. Zij kunnen in elke vorm geschieden en kunnen besloten liggen in een of meer gedragingen.
De rechtbank overweegt tegen deze achtergrond als volgt. [eiser] heeft de stelplicht als het gaat om de vraag met welke partij hij een overeenkomst heeft gesloten. In dat kader heeft [eiser] gesteld dat hij de opdracht tot het uitvoeren van werkzaamheden op de schepen kreeg van [naam 1] en dat hij in opdracht van [naam 1] aan [gedaagde 1] heeft gefactureerd. Tot medio 2024 werden de facturen van [eiser] door [gedaagde 1] betaald, zo stelt [eiser]. Deze stellingen zijn niet betwist door [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2], zodat vaststaat dat partijen op deze wijze met elkaar samenwerkten. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben aangevoerd dat [gedaagde 2] eigenaar is van de schepen en dat [gedaagde 1] zorgdraagt voor de exploitatie van de schepen en de financiën, wat door [eiser] niet is betwist.
Deze omstandigheden rechtvaardigen de conclusie dat [naam 1] namens [gedaagde 1] heeft gehandeld, dat [gedaagde 1] zich als contractspartij beschouwde bij de opdracht aan [eiser] en dat [eiser] daarmee instemde. [gedaagde 2] was hierbij als eigenares van de schepen wel belanghebbende, maar die enkele omstandigheid maakt haar geen contractspartij. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en [gedaagde 1].
Dit betekent dat voor zover er nog een bedrag aan [eiser] moet worden betaald, deze betalingsverplichting (uitsluitend) bestaat voor [gedaagde 1]. Of [gedaagde 1] nog een bedrag moet betalen aan [eiser] wordt hierna besproken in overweging 4.6 en verder.
Geen vordering op [gedaagde 2]
Gelet op het oordeel van de rechtbank in overweging 4.4 is [gedaagde 2] geen partij bij de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1]. De vorderingen van [eiser] op [gedaagde 2] worden daarom afgewezen.
Geen bindende partijbeslissing en vso ontbonden
[gedaagde 1] stelt dat zij de beslissing van 9 april 2025 tot het betalen van € 30.000,00 heeft genomen en dat er daarmee sprake is van een bindende partijbeslissing (in de zin van artikel 7:905 BW), zodat de vso tussen partijen niet door een eenzijdige verklaring van [eiser] kan worden ontbonden. Daarnaast voert [gedaagde 1] aan dat zij de derde en laatste termijn weliswaar niet aan [eiser] heeft betaald, maar dat dit komt omdat [eiser] een verkeerde factuur heeft gestuurd.
[eiser] betwist dat sprake is van een bindende partijbeslissing en voert aan dat hij het aanbod van [gedaagde 1] heeft aanvaard zodat sprake is van een gezamenlijk overeengekomen bedrag. Volgens [eiser] mocht hij de vso wel ontbinden, omdat [gedaagde 1] de gemaakte afspraken niet is nagekomen. Verder betwist [eiser] dat er een verkeerde factuur aan [gedaagde 1] is gestuurd. [eiser] heeft toegelicht dat de facturatie in overleg met [naam 1] ging en dat [naam 1] altijd akkoord is gegaan met de manier van factureren, namelijk deels vanuit de eenmanszaak van [eiser] en deels vanuit FDG, de eenmanszaak van de echtgenote van [eiser]. De naam van [eiser] stond wel bovenaan op alle facturen.
Partijen twisten over de vragen of sprake is van een bindende partijbeslissing en of de vso door [eiser] kon worden ontbonden.
Bij een vaststellingsovereenkomst binden partijen, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, zich jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken. De vaststelling kan tot stand komen krachtens een beslissing van partijen gezamenlijk of krachtens een aan één van hen of aan een derde opgedragen beslissing. In het algemeen geldt dat als een van partijen de afspraken niet nakomt, de wederpartij de bevoegdheid heeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. In het geval van een vaststellingsovereenkomst geldt echter dat wanneer een ontbinding wegens een tekortkoming in de nakoming daarvan een reeds tot stand gekomen, aan een partij of een derde opgedragen beslissing zou treffen, deze ontbinding niet door een eenzijdige verklaring kan geschieden.
De rechtbank overweegt als volgt. [gedaagde 1] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij een beslissing heeft genomen die aan haar is opgedragen, dit tegenover de betwisting van [eiser] en zijn toelichting dat er is onderhandeld over het bedrag en dat de uitkomst daarvan gezamenlijk is overeengekomen. Dat heeft tot gevolg dat er geen sprake is van een bindende partijbeslissing in de zin van artikel 7:905 BW.
Door het uitblijven van een volledige betaling door [gedaagde 1] is sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. [eiser] mocht daarom de vso ontbinden en heeft dat op 2 september 2025 ook gedaan.
Dit betekent dat de verplichting voor [gedaagde 1] om de facturen van [eiser] te betalen nog bestaat, omdat de afspraken in de vso (die in de plaats kwamen van deze betalingsverplichting) zijn komen te vervallen.
Vordering niet prijsgegeven
[gedaagde 1] stelt bij antwoord dat [eiser] met het sluiten van de vso zijn initiële vordering heeft prijsgegeven en dat de facturen van [eiser] daarom niet opeisbaar zijn. In de vso is namelijk niet vastgelegd dat oude aanspraken van [eiser] jegens [gedaagde 1] herleven als de gemaakte afspraken niet worden nagekomen en ook is er geen ander voorbehoud gemaakt.
[eiser] betwist dat hij zijn recht op betaling van de facturen heeft prijsgegeven in het geval de vso niet zou worden nagekomen door [gedaagde 1].
De wet bepaalt dat een verbintenis tenietgaat door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij hij van zijn vorderingsrecht afstand doet. Afstand van een vorderingsrecht vereist dan ook een daarop gerichte wilsovereenstemming van schuldenaar en schuldeiser.
De rechtbank oordeelt dat [gedaagde 1] onvoldoende heeft aangevoerd als onderbouwing van zijn stelling dat [eiser] door het sluiten van de vso afstand heeft gedaan van zijn initiële vorderingsrecht, terwijl op haar wel de stelplicht rust en [eiser] het standpunt van [gedaagde 1] heeft betwist. Om een discussie te beëindigen is [eiser] akkoord gegaan met betaling van slechts een deel van de gefactureerde bedragen, waarbij termijnen zijn afgesproken. Dit akkoord veronderstelt naar de aard ervan een tijdige en volledige betaling. Bij uitblijven van betaling, met ontbinding als uiteindelijk gevolg, kan niet worden aangenomen dat [eiser] als schuldeiser rechten heeft prijsgegeven. [gedaagde 1] heeft geen feiten of omstandigheden genoemd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Dit betekent dat de facturen van [eiser] wel opeisbaar zijn. Welk bedrag [gedaagde 1] nog aan [eiser] moet betalen, wordt hierna besproken.
[gedaagde 1] moet € 54.801,31 betalen
[eiser] heeft gesteld dat hij in de periode van 3 juni 2024 tot en met 26 juni 2025 werkzaamheden heeft verricht tegen een dagtarief van € 400,00 en dat [naam 2] in die periode tegen een dagtarief van € 350,00 werkzaamheden heeft verricht. De onkosten van voor het werk benodigde materiaal zijn ook bij [gedaagde 1] in rekening gebracht. [gedaagde 1] heeft volgens [eiser] op 17 april 2025 € 13.723,19 betaald en op 18 juni 2025 € 12.100,21. Deze betalingen strekken in mindering op de facturen. Er resteert een bedrag van € 54.801,31 (vordering a van € 53.349,31 + vordering b van € 1.452,00). Op de zitting heeft [eiser] verder toegelicht dat opdrachten door [naam 1] aan hem werden gegeven via telefoongesprekken of WhatsApp. Opdrachten kwamen ook vaak op het laatste moment. Partijen werkten jarenlang samen op deze manier en de facturen werden altijd betaald, tot halverwege 2024, aldus [eiser].
[gedaagde 1] betwist de door [eiser] gefactureerde werkzaamheden en heeft toegelicht dat de werkzaamheden die door [eiser] zijn gefactureerd niet te herleiden zijn tot een opdracht en/of een werkplanning. Het is aan [eiser] als opdrachtnemer is om rekening en verantwoording af te leggen over de door hem verrichte werkzaamheden en hiervan een deugdelijke specificatie over te leggen, aldus [gedaagde 1]. Op de zitting heeft [gedaagde 1] gezegd dat zij [eiser] vaak heeft gevraagd en gewaarschuwd om zijn werkzaamheden vooraf vast te leggen en te specificeren. Verder betwist [gedaagde 1] dat zij de echtgenote van [eiser] opdracht heeft gegeven werkzaamheden uit te voeren en voert zij aan dat zij [eiser] daarvoor ook geen toestemming heeft gegeven. Tot slot heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat zij op basis van de vso twee keer het termijnbedrag van € 10.000,00 exclusief btw heeft betaald.
De rechtbank oordeelt als volgt. De overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] kwalificeert als een overeenkomst van opdracht. Voor de uitgevoerde werkzaamheden en de kosten voor het benodigde materiaal is [gedaagde 1] aan [eiser] loon en onkostenvergoeding verschuldigd. [eiser] draagt de stelplicht als het gaat om het verschuldigde loon en de onkostenvergoeding. [eiser] heeft voldoende gesteld dat de gefactureerde werkzaamheden zijn uitgevoerd (door [naam 2] en hem, niet door zijn echtgenote) en dat onkosten voor materialen zijn gemaakt. Daartegenover heeft [gedaagde 1] de stellingen van [eiser] onvoldoende betwist. De rechtbank acht daarbij van belang dat partijen al jaren dezelfde werkwijze hadden en dat deze vaste werkwijze voor [gedaagde 1] niet eerder een reden is geweest om facturen van [eiser] onbetaald te laten. Vaststaat immers dat de facturen van [eiser] tot juni 2024 altijd zijn betaald, zonder bijvoorbeeld schriftelijke opdrachten vooraf of nadere specificaties en ongeacht of ze vanuit de eenmanszaak van [eiser] of vanuit de eenmanszaak van zijn echtgenote aan [gedaagde 1] werden gestuurd. [gedaagde 1] heeft weliswaar gesteld dat zij [eiser] heeft gewaarschuwd om zijn werkzaamheden vooraf vast te leggen, maar [eiser] heeft dat betwist en een nadere toelichting door [gedaagde 1] op dit punt ontbreekt. Uit de e-mail van 2 november 2023 volgt op dit punt alleen dat aan [eiser] werd gevraagd om te specificeren op welke boot hij had gewerkt en dat heeft [eiser] ook gedaan, zoals is te zien op de facturen. Als [gedaagde 1] voorafgaand aan de werkzaamheden opdrachten op schrift wilde hebben of bijvoorbeeld nadere specificaties van [eiser] wilde ontvangen, dan had zij daar duidelijk over moeten communiceren met [eiser]. Niet is gebleken dat [gedaagde 1] dit heeft gedaan, door bijvoorbeeld een schriftelijke waarschuwing aan [eiser] te versturen waarin hem werd verteld dat de eerdere werkwijze niet meer zou worden geaccepteerd. Waar [eiser] uit had moeten begrijpen dat zijn facturen per juni 2024 niet meer door [gedaagde 1] zouden worden betaald als schriftelijke opdrachten of nadere specificaties zouden uitblijven, is door [gedaagde 1] niet duidelijk gemaakt. Dit heeft tot gevolg dat [gedaagde 1] de facturen van [eiser] moet betalen.
Ten aanzien van de hoogte van het door [gedaagde 1] aan [eiser] verschuldigde bedrag oordeelt de rechtbank als volgt. [eiser] heeft gesteld dat er door [gedaagde 1] twee betalingen zijn gedaan die in mindering strekken op de vordering en heeft ter toelichting twee bankafschriften overgelegd waaruit de betalingen van [gedaagde 1] blijken voor een totaalbedrag van € 25.823,40. [gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij twee keer € 12.100,00 aan [eiser] heeft betaald, maar heeft dit niet nader toegelicht of onderbouwd. Daarom gaat de rechtbank uit van een bedrag van € 25.823,40 dat door [gedaagde 1] is betaald, welk uitgangspunt niet in het nadeel van [gedaagde 1] is. Er resteert dan ook een bedrag van € 54.801,31 aan openstaande facturen dat door [gedaagde 1] aan [eiser] moet worden betaald.
[gedaagde 1] moet wettelijke rente betalen
[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde 1] de wettelijke handelsrente is verschuldigd met ingang van 6 september 2025. [gedaagde 1] beroept zich op matiging van de wettelijke rente op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Volgens [gedaagde 1] staat niet vast dat [eiser] de werkzaamheden heeft uitgevoerd op grond van een daarvoor verstrekte opdracht of dat [eiser] de werkzaamheden daadwerkelijk heeft uitgevoerd.
De rechtbank oordeelt als volgt. Het gaat in deze zaak om een handelsovereenkomst, zodat artikel 6:119a BW van toepassing is. De door [eiser] gevorderde rente over de hoofdsom kan slechts worden toegewezen met ingang van de datum van dagvaarding. Er is namelijk door [eiser] niet toegelicht waarom de rente met ingang van 6 september 2025 verschuldigd is, terwijl hij op dat punt wel de stelplicht heeft.
De rechtbank passeert het beroep van [gedaagde 1] op matiging onder verwijzing naar het oordeel in overweging 4.16.
[gedaagde 1] moet € 1.308,49 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht zijn en dit is door [gedaagde 1] niet betwist. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding van die werkzaamheden. Dit betekent dat het gevorderde bedrag van € 1.308,49 wordt toegewezen.
Proceskosten
In de zaak tegen [gedaagde 2]
[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 2]. De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op nihil.
In de zaak tegen [gedaagde 1]
[gedaagde 1] is in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,30
- griffierecht
€
1.374,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.268,30
5. De beslissing
De rechtbank
in de zaak tegen [gedaagde 2]:
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde 2] begroot op nihil;
in de zaak tegen [gedaagde 1]:
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € € 54.801,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 18 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.308,49 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 4.268,30, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken op 26 augustus 2026.4020/1694