ECLI:NL:RBROT:2026:10710

ECLI:NL:RBROT:2026:10710

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 26-08-2026
Datum publicatie 27-08-2026
Zaaknummer ROT 26/1232 en ROT 26/3792
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Vroegtijdige publicatie van een boete aan een trustkantoor. Kortsluiting. Omdat het bezwaar tegen de boete is ingetrokken ziet de beslissing op bezwaar over de publicatie op een onherroepelijk boetebesluit. De wetgever heeft voor ogen gestaan dat reputatie- en daaruit volgende vermogensschade een inherent gevolg is van openbaarmaking van sanctiebesluiten en dit daarom geen onevenredige schade oplevert waarvoor (ongeanonimiseerde) openbaarmaking zou moeten wijken. Daarbij lijkt de wetgever vooral de schade voor de overtreder voor ogen te hebben gehad. Dit brengt volgens de voorzieningenrechter enerzijds niet met zich dat in het geheel geen rekening moet worden met schade die andere (rechts)personen dan de overtreder lijden door de openbaarmaking. De wettekst van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wtt 2018, waarin wordt gesproken van betrokken partijen en niet van de overtreder, biedt daarvoor ruimte. Bevestiging hiervoor ziet de voorzieningenrechter verder in een uitspraak waarin het CBb heeft geoordeeld dat ook een moedervennootschap kan opkomen tegen een openbaarmakingsbesluit dat aan de dochtervennootschap is gericht en dat (dan) ook haar belangen moeten worden betrokken bij de evenwichtigheidsbeoordeling (zie ECLI:NL:CBB:2025:372, punt 9.6). Anderzijds brengt dit volgens de voorzieningenrechter niet met zich dat de vraag of mogelijk sprake is van onevenredige schade voor andere (rechts)personen dan de overtreder moet worden beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan de wetgever voor ogen heeft gehad bij de vraag of de overtreder zelf een onevenredige mate van schade zal lijden door de (ongeanonimiseerde) publicatie van het sanctiebesluit. Uit wat de vennootschap in dit verband in bezwaar naar voren heeft gebracht, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de door de groep te verwachten reputatieschade en daarmee samenhangende vermogensschade een mate van schade zal opleveren die buiten proportie is. Gelet op de ernst en duur van de overtreding heeft DNB naar het oordeel van de voorzieningenrechter het standpunt in kunnen nemen dat met de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder gelet op de doelstellingen 1, 2 en 4 van de openbaarmaking van sancties een voldoende concreet belang wordt gediend. Voorts zijn overeenkomstig doelstelling 3 de belangen van andere (rechts)personen betrokken bij ongeanonimiseerde openbaarmaking. Uit de wetsgeschiedenis van de Wtt 2018 volgt dat een van de belangen die worden gediend met publicatie het tijdig informeren van het publiek is om schade bij cliënten of potentiële cliënten van trustkantoren te voorkomen of te beperken. Daarnaast komt uit de wetgeschiedenis van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn naar voren dat een van de doelen van de vroegtijdige openbaarmaking van sancties is om de zakelijke relaties van de betrokken instelling te waarschuwen, zodat zij maatregelen kunnen nemen om de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme die uit een (ernstige) overtreding van de Wwft voortvloeien, te beheersen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft DNB deze doelstelling evenzeer in haar afweging kunnen betrekken, omdat de door de vennootschap niet nagekomen verplichtingen strekken ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme. Niettemin ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een beperkte voorlopige voorziening in de hoofdzaak, dus op basis van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. Gelet op de onomkeerbaarheid van de openbaarmaking van het boetebesluit, terwijl tegen deze uitspraak hoger beroep open staat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen gedurende twee weken, zodat de vennootschap enig respijt heeft om zich te bezinnen of zij deze uitspraak wenst aan te vechten en in dat verband voorts een voorlopige voorziening wenst te vragen bij de voorzieningenrechter van het CBb.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

[eiseres] (de vennootschap), uit Amsterdam, eiseres

De Nederlandsche Bank N.V. (DNB)

Bestuursrecht

zaaknummers: ROT 26/1232 en ROT 26/3792

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 augustus 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

(gemachtigden: mr. G.P. Roth en mr. J.S. Roepnarain),

en

(gemachtigden: mr. M. Koppenol en mr. Z. Farshchi).

Procesverloop

1. DNB heeft met het besluit van 4 februari 2026 besloten tot vroegtijdige openbaarmaking (openbaarmakingsbesluit) van het besluit van dezelfde datum tot oplegging van een bestuurlijke boete aan de vennootschap van C 152.775 (boetebesluit) wegens overtreding van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 27 van de Wet toezicht trustkantoren 2018 (Wtt 2018).

2. De vennootschap heeft tegen het openbaarmakingsbesluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Met het bestreden besluit van 30 april 2026 heeft DNB het bezwaar van de vennootschap ongegrond verklaard en het openbaarmakingsbesluit gehandhaafd. De vennootschap heeft hiertegen beroep ingesteld, zodat het verzoek om een voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

3. DNB heeft een verweerschrift ingediend.

4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 21 augustus 2026 achter gesloten deuren op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn namens DNB verschenen mr. R.J. F. van Ham, mr L. van der Meulen en mr. A. van der Burgh.

5. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij met toepassing van Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook op het beroep van eiseres daartegen.

Voorgeschiedenis en besluitvorming DNB

6. De vennootschap levert trustdiensten a en b als bedoeld in artikel 1 van de Wtt 2018. DNB heeft onderzoek verricht naar de naleving van de Wtt 2018 door de vennootschap gedurende de periode van 13 februari 2023 tot en met 14 oktober 2024. Daartoe heeft DNB zes dienstverleningsdossiers (dossiers) onderzocht op de naleving van artikel 23, eerste lid, aanhef en onder a, in verbinding met artikel 27 van de Wtt 2018. DNB heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de vennootschap in alle zes dossiers tekort is geschoten in het vaststellen van een integriteitsrisicoprofiel van de doelvennootschap. DNB heeft in de tweede plaats vastgesteld dat de vennootschap in vijf van de zes dossiers tekort is geschoten in het vaststellen van het transactieprofiel van de doelvennootschap. DNB heeft ten slotte ook vastgesteld dat de vennootschap in vijf van de zes dossiers tekort is geschoten in het vaststellen van de herkomst van het vermogen van de doelvennootschap. Gelet op deze constateringen is volgens DNB sprake van overtredingen door de vennootschap van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, in verbinding met artikel 23 van de Wtt 2018.

7. Volgens DNB valt de overtreding de vennootschap volledig te verwijten en is het opleggen van een bestuurlijke boete opportuun. In dit verband heeft DNB het volgende in aanmerking genomen. De vennootschap is een lange periode als trustkantoor actief geweest zonder de daarvoor geldende wetgeving in acht te nemen. Van een professionele marktdeelnemer en vergunninghoudend trustkantoor mag echter worden verwacht dat zij op de hoogte is van de voor haar geldende wet- en regelgeving en deze ook naleeft. Door niet afdoende cliëntenonderzoek te verrichten voorafgaand aan het aangaan van een zakelijke relatie dan wel het verlenen van trustdiensten, heeft de vennootschap mogelijk geen (afdoende) bijdrage aan het tegengaan van witwassen van geld, terrorismefinanciering en handelingen die naar ongeschreven recht of in het maatschappelijk verkeer als onbetamelijk worden beschouwd, kunnen leveren. Ook heeft zij mogelijk kosten bespaard door aanvankelijk onvoldoende middelen in te zetten voor het verrichten van afdoende cliëntenonderzoek. DNB acht het positief dat de vennootschap – voorafgaand aan het onderzoek van DNB – een hersteltraject heeft ingezet maar deze omstandigheid raakt niet de ernst van de overtreding en de verwijtbaarheid daarvoor en maakt boeteoplegging daarom ook niet onevenwichtig.

8. De overtreding van artikel 23 van de Wtt 2018 is gelet op artikel 49 van de Wtt 2018 en artikel 16 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector beboetbaar met een boete uit categorie 3. Voor boetecategorie 3 geldt een basisbedrag van € 2.500.000 met een minimumbedrag van € 0 en een maximumbedrag van € 5.000.000. DNB stelt de hoogte van de bestuurlijke boete vast aan de hand van het stappenplan als bedoeld in artikel 3 van het boetetoemetingsbeleid. Met inachtneming van het stappenplan heeft DNB de boete gerelateerd aan de omzet, waarop door het uit eigen beweging treffen van maatregelen een korting van 10% is toegepast. Een en ander resulteert in een boete van € 152.775.

9. DNB heeft op grond van het volgende besloten het boetebesluit te publiceren. Op grond van artikel 61, vierde lid, van de Wtt 2018 maakt DNB een bestuurlijke boete wegens een overtreding van een voorschrift dat is gerangschikt in de derde categorie, zoals in dit geval, zo spoedig mogelijk openbaar. Met openbaarmaking van het boetebesluit worden verschillende doelen gediend. Allereerst is het belangrijk dat de activiteiten van DNB in zo groot mogelijke openheid worden verricht. Het is in dat kader in het belang van het publiek om zo ruim mogelijk kennis te kunnen nemen van het optreden van de toezichthouders en de gronden daarvoor. Ook is het openbaar maken van de bestuurlijke boete in het belang van andere instellingen die onder toezicht staan, zodat zij weten welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en meer inzicht krijgen in de invulling die DNB aan onderhavige normen geeft. Verder is openbaarmaking in het belang van personen die door de inbreuk schade hebben geleden, zodat zij eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend kunnen maken. Tot slot heeft de openbaarmaking in beginsel een ontmoedigend effect op andere personen en ondernemingen onder toezicht om overtredingen te begaan (Kamerstukken II 2015/16, 34 455, nr. 3, blz. 11-12 en Kamerstukken II 2017/18, 34 910, nr. 3, blz. 14 en 75-76). DNB ziet geen aanleiding om openbaarmaking op grond van artikel 62, eerste lid, van de Wtt 2018 uit te stellen of geanonimiseerd te laten plaatsvinden. Allereerst ontstaat volgens DNB met het openbaar maken van het boetebesluit geen situatie die de stabiliteit van het financiële stelsel in gevaar brengt. Evenmin is DNB bekend met een lopend strafrechtelijk onderzoek of een onderzoek door de toezichthouder naar mogelijke overtredingen dat wordt ondermijnd door het openbaar maken van het boetebesluit. Daarnaast worden geen gegevens openbaar gemaakt die herleidbaar zijn tot natuurlijke personen en waarvan bekendmaking onevenredig is. Tot slot meent DNB dat openbaarmaking er niet toe leidt dat DNB betrokken partijen in onevenredige mate schade wordt berokkend.

10. De vennootschap heeft aanvankelijk tegen zowel het boetebesluit als het openbaarmaking bezwaar gemaakt, maar heeft het bezwaar tegen het boetebesluit ingetrokken. Gelet hierop heeft DNB uitsluitend het openbaarmakingsbesluit heroverwogen en geoordeeld dat er onvoldoende redenen zijn om openbaarmaking uit te stellen of om het boetebesluit verdergaand te anonimiseren dan aanvankelijk is besloten.

Beroepsgronden

11. De vennootschap betoogt dat DNB bij een onjuiste toetsingsmaatstaf en bewijslastverdeling is uitgegaan voor de vraag of bij de voorgenomen wijze van openbaarmaking – waarbij de naam van de vennootschap wordt vermeld – aan de vennootschap onevenredige mate schade zou worden berokkend.

12. In dit verband wijst de vennootschap er op dat DNB weliswaar de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 25 februari 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:102) heeft betrokken, maar daaraan op onjuiste wijze toepassing gegeven. De vennootschap wijst in dit verband ook op de uitspraak van de rechtbank van 19 december 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:14917). In deze uitspraak over cryptodiensten (de crypto-uitspraak), die volgens de vennootschap door de rechtbank is gekwalificeerd als richtinggevend, is toegelicht hoe het beoordelingskader uit de uitspraak van het CBb van 25 februari 2025 moet worden toegepast. DNB is in het openbaarmakingsbesluit bewust aan de uitspraak van de rechtbank voorbijgegaan, omdat zij het niet eens is met deze uitspraak. De kern van de kritiek van DNB is dat de rechtbank in de crypto-uitspraak het wettelijk uitgangspunt van integrale publicatie, zoals dat zou zijn bevestigd door het CBb, heeft miskend. Volgens DNB hoeft zij bovendien pas als de vennootschap relevante schade stelt en aannemelijk maakt (die verder gaat dan de aan openbaarmaking inherente reputatieschade en de daardoor te lijden vermogensschade) die schade af te wegen tegen de doelen van openbaarmaking en daarmee te dienen belangen. DNB verlangt aldus van de vennootschap iets wat per definitie niet mogelijk is, namelijk schade aannemelijk maken van een gebeurtenis (te weten: de publicatie) die nog niet is ingetreden.

13. De vennootschap heeft in haar aanvullend bezwaarschrift toegelicht dat het aannemelijk is dat zij niet alleen reputatieschade zal lijden, maar dat ongeanonimiseerde openbaarmaking van het boetebesluit ook zal leiden tot andere vormen van onevenredige schade. De te verwachten schade van niet-geanonimiseerde publicatie van het boetebesluit is omvangrijk en grensoverschrijdend en treft niet alleen de Nederlandse entiteit waarop de (vermeende) overtreding betrekking heeft, maar ook andere groepsentiteiten die geen enkele betrokkenheid hebben bij de onderliggende gedragingen. De vennootschap verwacht dat vermelding van haar naam bij de openbaarmaking tot gevolg heeft dat cliënten in andere jurisdicties om opheldering zullen vragen, dat het aanleiding zal vormen voor toezichthouders in andere landen om vragen te stellen of onderzoeken te starten. De vennootschap verwacht tevens dat bijvoorbeeld banken en andere financiële dienstverleners de groep zullen onderwerpen aan verhoogde due diligence, risk rating aanpassingen of zelfs een heroverweging van bestaande relaties, ook al is de sanctie alleen opgelegd aan de vennootschap en niet aan andere groepsentiteiten in andere jurisdicties. DNB gaat daar in het bestreden besluit te gemakkelijk aan voorbij door te stellen dat dit voorbeelden zijn van aan openbaarmaking inherente reputatieschade en daarmee samenhangende mogelijke vormen van vermogensschade.

14. De overwegingen van de rechtbank in de crypo-uitspraak zijn algemeen geformuleerd en zaakoverstijgend en vinden daarom ook toepassing in onderhavige zaak. Toepassing van dit kader leidt volgens de vennootschap tot het volgende. DNB heeft ten onrechte niet toegelicht waarom het voor het dienen van openbaarmakingsdoelen 1 en 2 nodig is om de identiteit van de vennootschap openbaar te maken, terwijl dit wel op haar weg lag. Ten aanzien van openbaarmakingsdoel 3 stelt DNB dat vroegtijdige ongeanonimiseerde openbaarmaking “mogelijk kon bijdragen aan het treffen van passende maatregelen door het publiek en/of andere onder toezicht staande instellingen voor zover zij op enigerlei wijze betrokken waren bij de geldstromen waar [de vennootschap] betrokken bij is.” Deze stelling is om verschillende redenen onnavolgbaar. Ten eerste is volstrekt onduidelijk wat voor “passende maatregelen” DNB in dit verband op het oog heeft. Daarnaast kan de vennootschap niet duiden waarom de stelling van DNB relevant is in het licht van openbaarmakingsdoel 3. Dat doel ziet er immers op dat personen de overtreder moeten kunnen aanspreken en dat om die reden de identiteit openbaar moet worden gemaakt, mits er een concreet belang wordt gediend. Daarvan kan sprake zijn als zich onder het publiek en onder toezicht staande instellingen personen bevinden die door de overtreding schade hebben geleden, zodat zij eventueel hun rechten jegens de overtreder geldend kunnen maken. De vage stelling van DNB biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat met de openbaarmaking van de identiteit van de vennootschap een dergelijk concreet belang wordt gediend. Of er personen zijn die schade hebben geleden door de betreffende overtredingen van de Wtt 2018 waar de door DNB opgelegde boete betrekking op heeft en de vennootschap met recht zouden kunnen aanspreken, ligt bovendien niet voor de hand – en dat is door DNB ook niet aannemelijk gemaakt – en is ook niet relevant, aangezien het doel van de Wtt 2018 zich, evenals in de crypto-uitspraak, niet uitstrekt tot bescherming van consumenten of andere bij de vennootschap betrokken partijen. Ten aanzien van openbaarmakingsdoel 4 geldt dat het CBb geoordeeld heeft dat het belang van een ontmoedigend effect dat de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder kan hebben, geen doel op zich is en in het kader van de evenwichtigheidsbeoordeling in een voorkomend geval niet zwaarwegend genoeg kan zijn om dat doel en het daarmee gediende belang van volledige openbaarmaking te laten prevaleren.

15. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit volgens de vennootschap geen stand houden. Ter zitting heeft de vennootschap in aanvulling hierop aangevoerd dat er een groot tijdsverloop zit tussen de overtredingen en het openbaarmakingsbesluit en dat dit tezamen met de onomkeerbaarheid van de schade die zal volgen door ongeanonimiseerde openbaarmaking van het boetebesluit en ook gelet op het ontbreken van de mogelijkheid tot verhaal daarvan (zie artikel 1:25d van de Wft), bij enige twijfel in het voordeel van de vennootschap zou moeten uitpakken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

16. Uit artikel 61, eerste lid, van de Wtt 2018 volgt dat DNB een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie op grond van deze wet openbaar maakt zodra het besluit onherroepelijk is geworden. Uit het vierde lid volgt dat DNB in afwijking van het eerste lid een besluit tot het opleggen van een bestuurlijke boete zo spoedig mogelijk openbaar maakt, indien het ziet op een overtreding van een voorschrift dat op grond van artikel 49, tweede lid, is gerangschikt in de derde categorie. Artikel 62, eerste lid aanhef en onder b, bepaalt verder dat openbaarmaking op grond van artikel 61 wordt uitgesteld of in zodanige vorm geschiedt dat de openbaar te maken gegevens niet herleidbaar zijn tot afzonderlijke personen, voor zover betrokken partijen in onevenredige mate schade zou worden berokkend.

17. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de intrekking van het bezwaar tegen het boetebesluit tot gevolg heeft dat de heroverweging van het openbaarmakingsbesluit in feite niet langer ziet op vroegtijdige openbaarmaking van het boetebesluit, maar op openbaarmaking van het boetebesluit na het onherroepelijk worden daarvan. Voor de inhoudelijke beoordeling maakt dit geen verschil. Of nu publicatie plaatsheeft op grond van het eerste of vierde lid van artikel 61 van de Wtt 2018, in beide gevallen is sprake van een openbaarmakingsplicht, tenzij zich een uitzonderingsgrond voordoet als bedoeld in het eerste lid van artikel 62 van de Wtt 2018. Partijen verschillen van mening of het boetebesluit alleen mag worden gepubliceerd zonder de naam van de overtreder te vermelden, omdat anders een betrokken partij in onevenredige mate schade zou worden berokkend. Deze toetsing wordt wel de evenwichtigheidsbeoordeling genoemd (ECLI:NL:CBB:2025:102, punt 6.7).

18. Uit rechtspraak van het CBb volgt dat in het kader van de publicatieverplichtingen van sanctiebesluiten uit hoofde van de Wet op het financieel toezicht en op basis van identieke publicatieverplichtingen op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft) de toezichthouder in zijn beoordeling van de evenwichtigheid tussen enerzijds de mate van schade die een niet-geanonimiseerde openbaarmaking voor de betrokkene met zich brengt en anderzijds het belang dat de openbaarmaking in het concrete geval dient te betrekken, dit mede aan de hand van de volgende vier doelen van openbaarmaking van sanctiebesluiten: (1) het publiek informeren over het optreden van de toezichthouder en de gronden daarvoor; (2) andere instellingen die onder toezicht staan informeren welke gedragingen kunnen leiden tot handhaving en de invulling die de toezichthouder aan bepaalde normen geeft; (3) personen, die door de inbreuk schade hebben geleden, gelegenheid bieden hun rechten jegens de overtreder geldend te maken en (4) anderen ontmoedigen om overtredingen te begaan (ECLI:NL:CBB:2025:353; ECLI:NL:CBB:2025:372 en ECLI:NL:CBB:2025:353). Dit toetsingskader geldt evenzeer voor het identieke publicatieregime onder de Wtt 2018, zo heeft de rechtbank ook eerder geoordeeld (ECLI:NL:RBROT:2025:6921).

19. Uit de rechtspraak van het CBb leidt de voorzieningenrechter voorts het volgende af. Het belang van generale preventie dat de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder kan hebben, vormt geen doel op zich is en is bij de beoordeling of betrokken partijen door een volledige openbaarmaking in onevenredige mate schade zou worden berokkend in een voorkomend geval niet zwaarwegend genoeg om dat doel en het daarmee gediende belang te laten prevaleren. Indien aannemelijk is dat met de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder geen concreet belang wordt gediend, kan dat bijdragen aan de conclusie dat sprake is van een onevenredige mate van schade voor de betrokken partijen. Maar het enkele feit dat een natuurlijke persoon of instelling door een openbaarmaking reputatieschade en daardoor vermogensschade lijdt, is in beginsel onvoldoende om te kunnen spreken van onevenredige benadeling (ECLI:NL:CBB:2025:102, punt 6.9 en 6.10).

20. De vennootschap heeft aangevoerd dat de rechtbank heeft overwogen dat haar crypto-uitspraak richtinggevend is. De voorzieningenrechter stelt vast dat dit in de desbetreffende uitspraak niet is overwogen. Richtinggevend is veeleer de eveneens hiervoor genoemde uitspraak van het CBb van 25 februari 2025 (zie onder meer ECLI:NL:CBB:2025:353; ECLI:NL:RBROT:2025:6921 en ECLI:NL:RBROT:2026:2567). Uitgangspunt volgens deze rechtspraak is dat de toezichthouder zich een goed beeld moet vormen van de gevolgen van een dergelijke openbaarmaking voor de betrokken partijen. Daarbij is het, gelet op het uitzonderingskarakter van de geanonimiseerde openbaarmaking, aan de betrokken partijen om de verwachte schade en relevante individuele omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat de mate van schade die zij (verwachten te) ondervinden buiten proportie is (ECLI:NL:CBB:2025:102, punt 6.11). Als door een partij geen verwachte schade en eventuele relevante individuele omstandigheden zijn gesteld en aannemelijk gemaakt, kan de beslissing tot ongeanonimiseerde openbaarmaking standhouden (ECLI:NL:CBB:2025:353, punt 11.6).

21. De vennootschap heeft aangevoerd dat ongeanonimiseerde openbaarmaking van het boetebesluit waarschijnlijk niet alleen reputatieschade en daarmee gepaard gaande financiële schade zal hebben voor de vennootschap, maar dat die gevolgen zich waarschijnlijk ook zullen uitstrekken tot de internationale groep waarvan de vennootschap deel uitmaakt. De voorzieningenrechter overweegt daarover het volgende.

22. De wetgever heeft voor ogen gestaan dat reputatie- en daaruit volgende vermogensschade een inherent gevolg is van openbaarmaking van sanctiebesluiten en dit daarom geen onevenredige schade oplevert waarvoor (ongeanonimiseerde) openbaarmaking zou moeten wijken (Kamerstukken II 2016/17, 34 769, nr. 3, blz. 6 en Kamerstukken II 2017/18, 34 910, nr. 3, blz. 76). Daarbij lijkt de wetgever vooral de schade voor de overtreder voor ogen te hebben gehad (zie ook Kamerstukken II 2017/18, 34 808, nr. 3, blz. 76). Dit brengt volgens de voorzieningenrechter enerzijds niet met zich dat in het geheel geen rekening moet worden met schade die andere (rechts)personen dan de overtreder lijden door de openbaarmaking. De wettekst van artikel 62, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wtt 2018, waarin wordt gesproken van betrokken partijen en niet van de overtreder, biedt daarvoor ruimte. Bevestiging hiervoor ziet de voorzieningenrechter verder in een uitspraak waarin het CBb heeft geoordeeld dat ook een moedervennootschap kan opkomen tegen een openbaarmakingsbesluit dat aan de dochtervennootschap is gericht en dat (dan) ook haar belangen moeten worden betrokken bij de evenwichtigheidsbeoordeling (zie ECLI:NL:CBB:2025:372, punt 9.6). Anderzijds brengt dit volgens de voorzieningenrechter niet met zich dat de vraag of mogelijk sprake is van onevenredige schade voor andere (rechts)personen dan de overtreder moet worden beoordeeld aan de hand van een andere maatstaf dan de wetgever voor ogen heeft gehad bij de vraag of de overtreder zelf een onevenredige mate van schade zal lijden door de (ongeanonimiseerde) publicatie van het sanctiebesluit.

23. Uit wat de vennootschap in dit verband in bezwaar naar voren heeft gebracht, volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet dat de door de groep te verwachten reputatieschade en daarmee samenhangende vermogensschade een mate van schade zal opleveren die buiten proportie is. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter ook naar een eerdere uitspraak van de voorzieningenrechter waarin is overwogen dat het groepsbrede gebruik van dezelfde handelsnaam een vrijwillige bedrijfsmatige keuze is geweest, waaraan financiële en/of reputatiegerelateerde voor- en nadelen kleven en dat door de keuze voor een gezamenlijke handelsnaam deze voor- en nadelen door alle gebruikers daarvan zijn geaccepteerd (ECLI:NL:RBROT:2024:2110, slot punt 16.3). Bovendien wijst DNB er in haar verweerschrift niet ten onrechte op dat aanvullende audit- en assurance-

verplichtingen van de groep, alsmede aanvullende vragen, niet zozeer een gevolg zouden zijn van ongeanonimiseerde publicatie van het boetebesluit. Dergelijke gevolgen zouden in de eerste plaats een consequentie zijn van het feit dat de vennootschap een overtreding heeft begaan waarvoor DNB een boete heeft opgelegd. Verder is niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat de vennootschap of de groep door ongeanonimiseerde openbaarmaking in hun voortbestaan worden bedreigd (vgl. Kamerstukken II 2017/18,

34 808, nr. 3, blz. 76). De vennootschap heeft ter zitting nog gesteld dat zij heeft besloten haar activiteiten in Nederland te staken, maar dit kan geen gevolg zijn van een openbaarmaking die nog moet plaatsvinden.

24. Gelet op de ernst en duur van de overtreding heeft DNB naar het oordeel van de voorzieningenrechter het standpunt in kunnen nemen dat met de openbaarmaking van de identiteit van de overtreder gelet op de doelstellingen 1, 2 en 4 van de openbaarmaking van sancties een voldoende concreet belang wordt gediend. Voorts zijn overeenkomstig doelstelling 3 de belangen van andere (rechts)personen betrokken bij ongeanonimiseerde openbaarmaking. Uit de wetsgeschiedenis van de Wtt 2018 volgt dat een van de belangen die worden gediend met publicatie het tijdig informeren van het publiek is om schade bij cliënten of potentiële cliënten van trustkantoren te voorkomen of te beperken (Kamerstukken II 2017/18, 34 910, nr. 3, blz. 18). Daarnaast komt uit de wetgeschiedenis van de Implementatiewet vierde anti-witwasrichtlijn naar voren dat een van de doelen van de vroegtijdige openbaarmaking van sancties is om de zakelijke relaties van de betrokken instelling te waarschuwen, zodat zij maatregelen kunnen nemen om de risico’s op witwassen en financieren van terrorisme die uit een (ernstige) overtreding van de Wwft voortvloeien, te beheersen (Kamerstukken II 2017/18, 34 808, nr. 6, blz. 34-35 en 38-39). Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft DNB deze doelstelling evenzeer in haar afweging kunnen betrekken, omdat de door de vennootschap niet nagekomen verplichtingen strekken ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

25. In dit verband heeft DNB terecht gewezen op het volgende. Als een trustkantoor zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot het cliëntenonderzoek niet naleeft en daarmee niet voldoet aan zijn poortwachtersrol, heeft dat mogelijk gevolgen voor andere partijen, waaronder in ieder geval ook partijen die zelf aan onderzoeksverplichtingen met betrekking tot hun cliënten zijn onderworpen. Denk bijvoorbeeld aan de banken, notarissen, accountants en andere trustkantoren die betrokken zijn bij de dienstverlening van de vennootschap of die eveneens een zakelijke relatie hebben met de doelvennootschappen die de vennootschap beheert. Voor die partijen kan het van belang zijn te weten dat een bepaald trustkantoor de op hem rustende verplichtingen uit de Wtt 2018 heeft geschonden, zodat zij daarmee rekening kunnen houden en passende maatregelen kunnen nemen voor zover zij mogelijkerwijs betrokken zijn bij de dienstverlening van het trustkantoor.

26. Bij het voortgaande betrekt de voorzieningenrechter verder dat de vermelding van de identiteit van de overtreder uitgangspunt is bij de publicatie van sancties, dit temeer indien het gaat om overtredingen van de derde boetecategorie, terwijl diverse doelstellingen van openbaarmaking ook gebaat zijn bij die vermelding en dat gelet op de door de vennootschap gestelde omstandigheden niet is te verwachten dat zij of de groep waarvan zij deel uitmaakt door die vermelding in onevenredige mate schade zal worden berokkend. Hetgeen de vennootschap verder in dit verband heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak volgt namelijk dat tijdsverloop geen rol speelt bij de te maken afweging (bijv. ECLI:NL:CBB:2014:62, punt 2.2 en ECLI:NL:RBROT:2026:10061, punt 13.4), terwijl de beperkte aansprakelijkheid van DNB weliswaar een rol kan spelen bij de vraag naar de spoedeisendheid van een verzoek om een voorlopige voorziening en de daarbij af te wegen belangen (bijv. ECLI:NL:RBROT:2021:13702, punt 3.3), maar niet bij de inhoudelijke toetsing van de rechtmatigheid van het openbaarmakingsbesluit.

27. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat DNB niet gehouden is om de naam van de overtreder te anonimiseren bij de openbaarmaking van het boetebesluit. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat – anders dan in bezwaar – in het aanvullende beroepschrift geen beroepsgronden zijn gericht tegen het voorgenomen Engelstalige persbericht. De voorzieningenrechter hoeft zich – ook gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen over ongeanonimiseerde publicatie – daarom niet meer te buigen over dit persbericht.

Conclusie en gevolgen

28. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter in de hoofdzaak van oordeel dat het bestreden besluit stand kan houden en het beroep daarom ongegrond is.

29. Omdat tevens op de hoofdzaak wordt beslist, wordt het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb afgewezen.

30. Niettemin ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor een beperkte voorlopige voorziening in de hoofdzaak, dus op basis van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb. Gelet op de onomkeerbaarheid van de openbaarmaking van het boetebesluit, terwijl tegen deze uitspraak hoger beroep open staat, ziet de voorzieningenrechter aanleiding het bestreden besluit te schorsen gedurende twee weken, zodat de vennootschap enig respijt heeft om zich te bezinnen of zij deze uitspraak wenst aan te vechten en in dat verband voorts een voorlopige voorziening wenst te vragen bij de voorzieningenrechter van het CBb (vgl. ECLI:NL:RBROT:2021:13756, punt 37).

31. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding. De vennootschap krijgt evenmin haar griffierecht vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

 verklaart het beroep ongegrond;

 wijst het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb af;

 schorst het bestreden besluit tot twee weken na de datum volgende op de datum van bekendmaking van de uitspraak aan de vennootschap.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. R. Stijnen, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen deze uitspraak staat voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening geen hoger beroep open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand