RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/722563 / KG ZA 26-686
Vonnis in kort geding van 20 augustus 2026
in de zaak van
GOUDEN BUURTEN III C.V.,
gevestigd te Rijswijk,
eisende partij,
hierna te noemen: Gouden Buurten,
advocaat: mr. L.C.G. Hoenselaar,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
beiden wonende te [woonplaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2]
advocaat: mr. I. de Gram en mr. D.J. de Vries.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 juli 2026, met producties 1 tot en met 12;
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] toegezonden conclusie van antwoord in kort geding, met producties 1 en 2;
- de voorafgaand aan de mondelinge behandeling door Gouden Buurten toegezonden aanvullende schriftelijke reactie;- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt- de bij de mondelinge behandeling door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] overgelegde spreekaantekeningen.
2. De feiten
Westpolder/Bolwerk is een grootschalige gebiedsontwikkeling in Berkel en Rodenrijs (gemeente Lansingerland) die voorziet in woningbouw (hierna: de gebiedsontwikkeling).
De gebiedsontwikkeling omvat meerdere deelplannen die gefaseerd worden gerealiseerd. Voor elk deelplan worden afzonderlijke omgevingsvergunningen verleend.
Het uitwerkingsplan “Westpolder/Bolwerk 2012, Deelplan 4 West” is het juridische kader van de laatste fase van de gebiedsontwikkeling (hierna: het uitwerkingsplan). Dit uitwerkingsplan is onherroepelijk geworden.
Gouden Buurten is vergunninghouder van de omgevingsvergunning voor blok 11E voor de bouw van 56 appartementen en 6 stadswoningen (met zaaknummer 1787862) en van de omgevingsvergunning voor de blokken 7, 8 en 9 voor de bouw van 29 woningen (met zaaknummer 1805369) in de gebiedsontwikkeling.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] wonen tegenover nog te realiseren gedeelten van de gebiedsontwikkeling. Zij wonen in een appartement dat de beschikking heeft over (in ieder geval) 1 exclusieve parkeerplaats achter een slagboom.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bezwaar en beroep ingesteld tegen het uitwerkingsplan. Daarbij zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in het ongelijk gesteld.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bezwaar ingesteld tegen een omgevingsvergunning voor de bouw van een extra laag op een parkeergarage in de gebiedsontwikkeling. Dit bezwaar is ongegrond verklaard.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bezwaar ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor blok 11E (zaaknummer 1787862). De onafhankelijke bezwaarschriftencommissie heeft naar aanleiding van dat bezwaar geoordeeld dat het bestuursorgaan in haar besluit tot verlening van de omgevingsvergunning onvoldoende heeft gemotiveerd dat wordt voldaan aan de regels uit het omgevingsplan voor zover het parkeernormen betreft. De bezwaarschriftencommissie concludeert dat het bestuursorgaan (alsnog) afdoende moet motiveren hoe de te realiseren woningen worden geclassificeerd naar prijsklasse, waarom de woningen in de categorie “betaalbare koop” kunnen worden geplaatst en waarom de parkeernorm van 1,15 per appartement op het bouwplan van toepassing is. De bezwaarschriftcommissie heeft het bestuursorgaan geadviseerd het bezwaar van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontvankelijk te verklaren, het bestreden besluit te herroepen en een nieuw besluit te nemen.
Het bestuursorgaan heeft het in 2.8 bedoelde advies niet gevolgd en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning “onder nadere motivering” in stand gelaten.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben recent beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor blok 11E. Deze beroepsprocedure bij de bestuursrechter loopt nog.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bezwaar ingesteld tegen de omgevingsvergunning voor de blokken 7, 8 en 9 (zaaknummer 1805369). De hoorzitting van deze bezwaarprocedure vond plaats op 14 juli 2026. Een beslissing op het bezwaar was ten tijde van de behandeling van dit kort geding nog niet genomen.
3. 3. De vordering
Gouden Buurten vordert bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] te gebieden het lopende bezwaar met zaaknummer 1805369 tegen de omgevingsvergunning voor de bouwblokken 7, 8 en 9 te Berkel en Rodenrijs met onmiddellijke ingang in te trekken;
te bepalen dat indien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar niet aan voldoen, dit vonnis op grond van artikel 3:300, eerste lid, BW dezelfde kracht heeft als een door gedaagden in wettige vorm opgemaakte akte tot onmiddellijke intrekking van het hiervoor bedoelde bezwaar;
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verbieden beroep in te stellen tegen de beslissing op bezwaar van 9 juni 2026 met zaaknummer 1787862 inzake de omgevingsvergunning voor bouwblok 11 E;
te bepalen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor iedere overtreding van het voornoemde verbod een dwangsom aan Gouden Buurten verbeuren van € 2.500,- per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt, tot een maximum van € 50.000, is bereikt;
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] te verbieden verdere juridische of feitelijke stappen te ondernemen die de voortgang van de woningbouwontwikkeling Westpolder/Bolwerk te Berkel en Rodenrijs vertragen of belemmeren, waaronder in het bijzonder het instellen van enig rechtsmiddel, waaronder bezwaar of beroep, tegen toekomstige omgevingsvergunningen voor bouwblokken binnen Deelplan 4 West / de Gouden Zwaan, voor een periode van vijf (5) jaar na betekening van het te wijzen vonnis, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- per overtreding, te vermeerderen met € 2.500,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 50.000,- per overtreding;
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding, te begroten op het door Gouden Buurten betaalde griffierecht en het salaris van de advocaat, te vermeerderen met de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van Gouden Buurten in haar vorderingen, althans tot afwijzing van die vorderingen, met veroordeling van Gouden Buurten in de proceskosten vermeerderd met de wettelijke rente daarover.
4. De beoordeling
Gouden Buurten wil met dit kort geding bewerkstelligen dat zij op korte termijn kan starten met de verkoop en bouw van woningen in de laatste fase van de gebiedsontwikkeling. Daarvoor zijn aan Gouden Buurten omgevingsvergunningen verleend. De door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ingestelde bezwaren en de mogelijk nog daarop volgende, andere door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te nemen (juridische) stappen, staan er volgens Gouden Buurten aan in de weg dat zij start met het realiseren van dit deel van de gebiedsontwikkeling. Volgens Gouden Buurten maken [gedaagde 1] en [gedaagde 2] misbruik van procesbevoegdheid met de door hen ingestelde bezwaren en zijn er gronden om hen te gebieden die bezwaren in te trekken en
hen te verbieden nog verdere juridische stappen te ondernemen.
Gouden Buurten is ontvankelijk
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben geen ontvankelijkheidsverweer gevoerd. De voorzieningenrechter dient de ontvankelijkheid echter ambtshalve te beoordelen. De vorderingen van Gouden Buurten zijn erop gericht te bewerkstelligen dat, met het blokkeren van (verdere) bestuursrechtelijke procedures, de omgevingsvergunningen op korte termijn onherroepelijk worden. De bestuursrechter kan een gebod tot het intrekken van bezwaar als hier gevorderd niet opleggen. Mogelijk te volgen bestuursrechtelijke routes leiden er niet toe dat de omgevingsvergunningen op zeer korte termijn onherroepelijk worden. Dat betekent dat in dit geval geen rechtsgang bij de bestuursrechter openstaat die voldoende rechtsbescherming biedt. Dat betekent dat Gouden Buurten kan worden ontvangen in haar vorderingen bij de civiele voorzieningenrechter.
Spoedeisend belang
Getoetst moet worden of Gouden Buurten voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Volgens Gouden Buurten is dat het geval. Volgens haar kan zij door het nog lopende bezwaar van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen de omgevingsvergunning voor blokken 7, 8 en 9 en de nog openstaande beroepstermijn tegen de beslissing op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor blok 11E, niet starten met de verkoop en bouw van de woningen in die blokken. Verkoop van die woningen is volgens Gouden Buurten niet mogelijk zolang de omgevingsvergunningen niet onherroepelijk zijn, omdat kopers te maken krijgen met obstakels bij het financieren van de woning. Zolang de woningen niet verkocht zijn, kan Gouden Buurten niet starten met de bouw. Volgens Gouden Buurten maken de voortdurende procedures van Gouden Buurten de te realiseren woningen onbereikbaar voor de doelgroep waarvoor ze bedoeld zijn.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat sprake is van spoedeisend belang. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is het keuze van Gouden Buurten om bepaalde risico’s al dan niet te willen lopen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat voldoende is gebleken van spoedeisend belang van Gouden Buurten bij haar vorderingen. Gouden Buurten heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat verkoop aan de doelgroep op dit moment niet mogelijk is en dat voorfinanciering van de bouw door Gouden Buurten evenmin een realistische mogelijkheid is. Dat betekent dat niet kan worden begonnen met de uitvoering van het project. Het is aannemelijk dat Gouden Buurten er belang bij heeft dat spoedig uitvoering kan worden gegeven aan de laatste fase van de gebiedsontwikkeling.
Grondslag vordering
Gouden Buurten legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] misbruik van procesrecht in de zin van artikel 3:13 BW maken en daarmee onrechtmatig handelen jegens Gouden Buurten. Gouden Buurten voert aan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de bevoegdheid om bestuursrechtelijk op te komen tegen de omgevingsvergunningen met een ander doel gebruiken dan waarvoor zij is verleend en met het enkele doel om Gouden Buurten te schaden. Ook meent Gouden Buurten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die bevoegdheid in dit geval, gelet op de onevenredigheid van de belangen van partijen, niet hadden moeten gebruiken. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten dat zij misbruik van recht maken. Hieronder wordt eerst het rechtskader van misbruik van bevoegdheid weergegeven. Vervolgens zal worden ingegaan op de feitelijke stellingen die Gouden Buurten aanvoert ter onderbouwing van het misbruik van bevoegdheid. Daarna wordt beoordeeld of die stellingen, gelet op het rechtskader en het verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], de vordering kunnen dragen.
Rechtskader
Artikel 3:13 lid 1 BW bepaalt dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze haar niet kan inroepen, voor zover de bevoegdheid wordt misbruikt. Van misbruik van bevoegdheid is volgens artikel 3:13 lid 2 BW sprake indien een bevoegdheid wordt gebruikt enkel om een ander te schaden, indien een bevoegdheid wordt gebruikt met een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is verleend of indien men in redelijkheid de bevoegdheid niet mag uitoefenen vanwege onevenredigheid tussen het belang daarbij en het belang dat erdoor wordt geschaad.
Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM (HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 en HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360). Dat geldt zeker in kort geding en wanneer, zoals hier, de burgerlijke rechter wordt gevraagd een verbod op te leggen om (onder meer) voor een andere rechter te procederen tegen een overheidsbesluit.
Geen misbruik van bevoegdheid
Volgens Gouden Buurten hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] steeds op dezelfde gronden bezwaar ingesteld tegen de besluiten waarbij vergunningen aan Gouden Buurten zijn verleend voor de gebiedsontwikkeling. Die bezwaren zijn elke keer ongegrond verklaard. Het steeds instellen van bezwaar op dezelfde gronden is volgens Gouden Buurten bij voorbaat kansloos. Dat geldt volgens Gouden Buurten eens te meer omdat het uitwerkingsplan onherroepelijk is geworden en slechts mag worden getoetst of de gevraagde omgevingsvergunningen voldoen aan dat uitwerkingsplan. Door desalniettemin steeds weer bezwaar in te stellen tegen de in elke fase van de gebiedsontwikkeling verleende omgevingsvergunningen, zonder dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die heroverweging rechtvaardigen, gebruiken [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun bevoegdheid volgens Gouden Buurten oneigenlijk, namelijk met het doel de realisatie van de bouw te vertragen en Gouden Buurten te schaden.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het voorgaande gemotiveerd weersproken. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is het een gevolg van de manier waarop het bestuursorgaan uitvoering geeft aan de gebiedsontwikkeling dat zij steeds opnieuw beroep hebben ingesteld. Het bestuursorgaan heeft ervoor gekozen de gebiedsontwikkeling in fases te realiseren, met steeds afzonderlijk verleende omgevingsvergunningen. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is het niet zo dat de procedures die nog lopen bij voorbaat kansloos zijn. Per omgevingsvergunning moet een parkeeronderbouwing worden gegeven en dat is niet gebeurd, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Zij voeren aan dat bij de laatste vergunningverleningen ten onrechte is getoetst aan de parkeernorm voor “betaalbare koop”. Niet gemotiveerd is waarom dat hier de juiste toets is. De planregels geven geen duidelijkheid over wat onder “betaalbare koop” moet worden verstaan. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden de woningen waarvoor de omgevingsvergunningen zijn verleend verkocht voor een prijs die niet kan worden geschaard onder “betaalbare koop”. Dat betekent dat van een hoger aantal parkeerplaatsen per woning had moeten worden uitgegaan. Het advies van de bezwaarschriftencommissie dat is uitgebracht naar aanleiding van één van de bezwaren van [gedaagde 1] en [gedaagde 2], onderschrijft dat. Dat advies is niet opgevolgd bij de beslissing op bezwaar.
Uit het voorgaande volgt dat partijen op diverse punten tegenovergestelde standpunten innemen. Gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door [gedaagde 1] en [gedaagde 2], is vooralsnog niet gebleken dat de standpunten die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de lopende bestuursrechtelijke procedures innemen, eerder al op exact dezelfde wijze in dezelfde situatie zijn ingenomen door hen. Het gaat hier immers om verschillende fases van een gebiedsontwikkeling waarbij afzonderlijke vergunningen zijn verleend, op basis waarvan verschillende typen woningen worden gebouwd en waarbij kennelijk verschillende parkeernormen horen. De eerdere ongegrondverklaringen hebben dan ook beperkte betekenis voor de nog lopende bezwaarprocedure. Een bestuursrechter heeft zich nog niet over de kwestie gebogen. Inmiddels hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2], zo is ter zitting duidelijk geworden, wel beroep ingesteld bij de bestuursrechter. Dat hier sprake is van een procedure die bij voorbaat kansloos is, is onvoldoende gebleken. Dat geldt op gelijke wijze voor de bezwaarschriftprocedure waarin het bestuursorgaan nog een beslissing moet nemen.
Dat wordt niet anders door de stellingen van Gouden Buurten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen belang hebben bij de juiste toepassing van de parkeernormen omdat zij 1,5 eigen parkeerplaats achter een slagboom hebben. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gaat het hier niet om 1,5 maar om één parkeerplaats die uitsluitend door hen gebruikt mag worden. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is bovendien in de lopende procedures niet geoordeeld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen belanghebbenden zijn. Gouden Buurten heeft tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding vraagtekens geplaatst bij het belang van [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben dat opgevat als vraagtekens bij het zijn van belanghebbende in de zin van de Awb. Nog afgezien van het feit dat dit geen gemotiveerde betwisting van het zijn van belanghebbenden in de zin van de Awb is, acht de voorzieningenrechter relevant dat Gouden Buurten (blijkbaar en tot nu toe) in de bestuursrechtelijke procedures niet is opgekomen tegen het oordeel dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] belanghebbenden zijn. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verder aan dat het toepassen van een te lage parkeernorm wel degelijk gevolgen voor hen heeft, omdat dit doorwerkt in hun buurt. Dat het bezwaar en/of het inmiddels ingestelde beroep geen kans van slagen heeft vanwege het ontbreken van belang is gelet op deze stellingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet aannemelijk.
Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de stelling van Gouden Buurten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun rechtsbevoegdheid slechts gebruiken om [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te schaden, niet gevolgd kan worden. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben voldoende duidelijk gemaakt dat zij concrete belangen hebben die zij met het gebruiken van hun procesbevoegdheid nastreven.
Anders dan Gouden Buurten bepleit is ook is niet gebleken dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun procesbevoegdheid met een ander doel gebruiken dan waarvoor zij is bedoeld. Gouden Buurten wijzen in dit kader op correspondentie die heeft plaatsgevonden tussen een bij Gouden Buurten betrokken ontwikkelaar en [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Daaruit volgt volgens Gouden Buurten dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bereid waren de procedures te staken
te staken, in ruil voor de aankoop van een (grondgebonden) woning met korting in het
plangebied. Uit de correspondentie zoals die is overlegd, volgt dat overleg heeft plaatsgevonden over een schikking. Daarbij zijn mogelijkheden besproken voor [gedaagde 1] en [gedaagde 2] om een woning in het plangebied te verkrijgen. Hieruit valt evenwel niet af te leiden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen de besluitvorming over de gebiedsontwikkeling zijn opgekomen met het enkele doel om onder gunstige condities een andere woning te verkrijgen. Relevant daarbij is dat het hier om besprekingen gaat die al een paar jaar geleden hebben plaatsgevonden en dat het initiatief voor deze besprekingen niet alleen maar van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] uitging. Zoals hiervoor al is overwogen hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] naar voorlopig (civielrechtelijk) oordeel voldoende duidelijk gemaakt dat zij concrete belangen hebben bij de door hen gestarte procedures.
Uit het voorgaande volgt reeds dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hun procesbevoegdheid ook niet misbruiken vanwege een onevenredigheid in de wederzijdse belangen die hen ertoe had moeten brengen af te zien van het instellen van bezwaar en/of beroep. Het is duidelijk dat Gouden Buurten belangen hebben bij het kunnen starten met de realisatie van dit deel van de gebiedsontwikkeling en dat zij hinder en mogelijk ook nadeel ondervindt doordat dat nu nog niet kan, althans niet op de wijze die volgens haar nodig is. Die belangen wegen alleen niet dusdanig zwaarder dan de belangen die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dienen met de door hen gestarte procedures, waaronder het belang om de besluitvorming van het bestuursorgaan in bestuursrechtelijke zin te laten toetsen, dat zij hadden moeten afzien van het starten van die procedures of in de toekomst af zouden moeten zien van nieuwe procedures.
Al met al zijn de stellingen van Gouden Buurten, ook wanneer zij in onderlinge samenhang worden bezien, gelet op hetgeen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daar tegenover hebben gesteld, onvoldoende om misbruik van procesrecht aan te nemen.
De door Gouden Buurten aangehaalde uitlatingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op sociale media veranderen dat niet. Dat hieruit een gedragspatroon is af te leiden dat past bij het stelselmatig misbruiken van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen zoals Gouden Buurten bepleiten, heeft Gouden Buurten onvoldoende onderbouwd en ziet de voorzieningenrechter niet.
De vorderingen van Gouden Buurten worden dus afgewezen.
Proceskosten
Gouden Buurten is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op:
- griffierecht
€
341,00
- salaris advocaat
€
1.177,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.707,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen van Gouden Buurten af,
veroordeelt Gouden Buurten in de proceskosten van € 1.707,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Gouden Buurten niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Gouden Buurten tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026.
1861/2009