RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht, het college
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 26/6093, ROT 26/6094, ROT 26/6560 en ROT 26/6758
[verzoekster] , uit [woonplaats], verzoekster, eiseres in beroep ROT 26/6093 (hierna: verzoekster)
(gemachtigde: mr. I. Car),
en
(gemachtigde: mr. J.V. Dieckmann).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de stopzetting van en de afwijzing van een aanvraag voor een indicatie leerlingenvervoer. Verzoekster is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld en verzoeken om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter verklaart in deze uitspraken de verzoeken en het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit waarom en welke gevolgen hieraan verbonden zijn. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
ROT 26/6094 en ROT 26/6093
2. Met het primaire besluit van 25 maart 2026 heeft het college de indicatie leerlingenvervoer verlengd tot en met 31 juli 2026.
Met het bestreden besluit van 25 juni 2026 is het college daarbij gebleven.
Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
3. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
ROT 26/6560
4. Met het bestreden besluit van 14 juli 2026 heeft het college bepaald dat de indicatie leerlingenvervoer wordt beëindigd vanwege wangedrag van zoon [minderjarige].
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
ROT 26/6758
5. Met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 heeft het college bepaald dat de aanvraag voor indicatie leerlingenvervoer voor schooljaar 2026-2027 voor zoon [minderjarige] is afgewezen vanwege wangedrag.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken gezamenlijk op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. N. Talhaoui (als waarnemer voor de gemachtigde van verzoekster) en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
ROT 26/6093 en ROT 26/6094
6. Iemand die beroep instelt en/of een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. Dit staat in artikel 8:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In zaken als deze is het griffierecht per zaak (dus twee maal) € 200,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is. Dat betekent dat er een goede reden moet zijn waarom het griffierecht niet (tijdig) is betaald.
7. Verzoekster heeft in de zaak ROT 26/6560 het verschuldigde griffierecht betaald en zich in een e-mail van 14 augustus 2026 op het standpunt gesteld dat er samenhang is tussen deze zaak en de zaken ROT 26/6093 en ROT 26/6094, zodat slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is.
De griffier heeft verzoekster er bij brief van 17 augustus 2026 op gewezen dat geen sprake is van samenhang en dat verzoekster in alle zaken griffierecht is verschuldigd.
De voorzieningenrechter heeft op zitting vastgesteld dat verzoekster het griffierecht in de zaken ROT 26/6093 (het beroep) en ROT 26/6094 (het bijbehorende verzoek om een voorlopige voorziening) niet (tijdig) heeft betaald. Namens verzoekster heeft de gemachtigde ter zitting geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
8. Het voorgaande brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening in zaak ROT 26/6094 niet-ontvankelijk zal verklaren.
9. Op grond van artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de beroepsprocedure (in dit geval ROT 26/6093) indien nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van deze situatie sprake, nu ook in deze beroepsprocedure het griffierecht niet (tijdig) is betaald en namens verzoekster ter zitting geen reden is gegeven voor het verzuim.
De voorzieningenrechter zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
ROT 25/6560
10. In het bestreden besluit (van 14 juli 2026) heeft het college bepaald dat de indicatie leerlingenvervoer voor zoon [minderjarige] van rechtswege zou eindigen aan het einde van het schooljaar (31 juli 2026), maar per direct wordt stopgezet vanwege wangedrag van zoon [minderjarige]. Volgens het college heeft de vervoerder hierover al tweemaal gemaild met verzoekster en haar partner (ouders van [minderjarige]). Bij brief van 9 juli 2026 zijn de ouders door het college geïnformeerd over de incidenten die tijdens het vervoer van [minderjarige] hebben plaatsgevonden. Dit betroffen incidenten tussen [minderjarige] en andere kinderen in de bus en een incident tussen [minderjarige] en de chauffeur, waarna een (laatste) waarschuwing is afgegeven. Nadat op 14 juli 2026 wederom een incident plaatsvond tussen [minderjarige] en een ander kind in de bus, heeft het college het bestreden besluit genomen.
Verzoekster is het niet eens met dit besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de indicatie leerlingenvervoer wordt verlengd, totdat is beslist op het bezwaar.
11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is geen sprake van materiële connexiteit met het door verzoekster bestreden besluit van 14 juli 2026. Dit besluit gaat namelijk, in tegenstelling tot wat de gemachtigde van verzoekster op zitting heeft betoogd, over een voorziening die ziet op een reeds afgelopen periode. Verzoekster kan niet meer bereiken wat zij kennelijk beoogt te bereiken met de verzochte voorlopige voorziening, omdat het oorspronkelijke besluit waarin de indicatie leerlingenvervoer was toegekend al van rechtswege was geëindigd.
Daarnaast is gebleken dat verzoekster een aanvraag heeft ingediend voor een indicatie leerlingenvervoer voor het nieuwe schooljaar (2026-2027), onder verwijzing naar de zaak ROT 26/6758. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de voorziening waar verzoekster om vraagt buiten de omvang en de strekking van het bestreden besluit valt.
Dit brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk zal verklaren.
ROT 26/6758
12. In het bestreden besluit (van 13 augustus 2026) heeft het college de aanvraag voor een indicatie leerlingenvervoer afgewezen op grond van artikel 22, tweede lid, onder d en e van de Verordening leerlingenvervoer Barendrecht 2025 vanwege wangedrag van zoon [minderjarige], onder verwijzing naar de reeds eerder verstuurde waarschuwingsbrief van 9 juli 2026 en het eerdere besluit van 14 juli 2026.
Verzoekster heeft op 19 augustus 2026 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit (van
13 augustus 2026) en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
Namens verzoekster heeft de gemachtigde verzocht om deze zaak gelijktijdig te behandelen met de andere (hierboven genoemde) verzoeken en het beroep.
13. In de uitnodiging voor de zitting, die de rechtbank op 20 augustus 2026 aan partijen is verstuurd, is aan de gemachtigde van verzoekster medegedeeld dat het verschuldigde griffierecht dient te worden voldaan voorafgaand aan de zitting aan de balie, gelet op de naderende zittingsdatum.
Voor het wettelijk kader over de verschuldigdheid van het griffierecht verwijst de voorzieningenrechter naar rechtsoverweging 6.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting vastgesteld dat het verschuldigde griffierecht niet (tijdig) is voldaan en dat niet is gebleken van een verontschuldiging voor dit verzuim.
Dit brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal verklaren.
Conclusie en gevolgen
14. De voorzieningenrechter zal de verzoeken om een voorlopige voorziening en het beroep niet-ontvankelijk verklaren. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart de verzoeken om een voorlopige voorziening en het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak, voor zover deze gaat over de verzoeken om voorlopige voorziening, staat geen hoger beroep of verzet open.
Tegen deze uitspraak, voor zover deze gaat over het beroep, kan een partij die het daarmee niet eens is met deze uitspraak, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.