RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
vonnis van 22 april 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [adres 1],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
De beschermingsbewindvoerder heeft de rechtbank op 7 april 2026 bericht dat zij verhinderd is om ter zitting te verschijnen. De rechtbank heeft ingestemd met telefonisch horen.
De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 7 april 2026, aanvullende stukken ontvangen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 15 april 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster],
- mevrouw A.T. Bosma, schuldhulpverlener van Bureau Benedictus,
Ter zitting is telefonisch gehoord:
- mevrouw A. Kol, beschermingsbewindvoerder.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat [verzoekster] lang zelf met haar beschermingsbewindvoerder betalingsregelingen heeft willen treffen en deels ook heeft getroffen met het doel de schuldenlast volledig te betalen. Sommige schuldeisers zijn geheel of gedeeltelijk betaald, andere niet. Verder gaat [verzoekster] er vanuit dat zij samen met haar ex-zakenpartner hoofdelijk aansprakelijk zal kunnen worden gesteld voor de schulden uit de inmiddels ontbonden vennootschappen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] waarvan zij voor de helft aandeelhoudster c.q. vennoot was. De schulden van beide vennootschappen zijn door middel van een vaststellingsovereenkomst verdeeld tussen beide aandeelhouders c.q. vennoten waardoor er regresvorderingen over en weer kunnen zijn of gaan ontstaan. Daarnaast ziet [verzoekster] een groot risico dat zij als bestuurder aansprakelijk zal worden gesteld door de Belastingdienst voor de belastingschulden uit haar voormalig ondernemingen. Zo was er in de VOF een belastingschuld opgebouwd van € 421.500,00, bestaande uit omzet- en loonbelasting. Het is niet bekend of en wanneer de Belastingdienst overgaat tot het verhalen van de schulden op het privé vermogen van [verzoekster]. Een minnelijk traject biedt derhalve geen duurzame oplossing, zo stelt zij. De belastingschulden zijn ontstaan en onbetaald gebleven door het niet nakomen van de aangifte-, althans betalingsverplichtingen door, zo stelt [verzoekster], nalaten van haar medeaandeelhouder c.q. vennoot ondanks dat in deze periode voldoende geld werd verdiend.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank stelt vast dat in het verzoekschrift wordt uitgegaan van een (eigen) belastingschuld uit hoofde van inkomstenheffing en zorgverzekeringswet van ruim € 150.000,00, ontstaan in de jaren 2021 tot en met 2025. [verzoekster] is daarnaast hoofdelijk aansprakelijk voor de nog openstaande schuld van [bedrijf 3] aan de Belastingdienst, waarvan de actuele hoogte onbekend is. De rechtbank beoordeelt de schulden voor zover deze binnen de drie-jaarstermijn vallen en oordeelt dat de schulden aan de Belastingdienst niet te goeder trouw zijn ontstaan. Deze zijn ontstaan doordat [verzoekster] in de periode dat zij (mede)bestuurder was van de ondernemingen [bedrijf 1] en [bedrijf 4] en vennoot was van de onderneming [bedrijf 2] niet (tijdig) belastingaangiftes heeft gedaan althans de aanslagen niet heeft voldaan. Dit heeft [verzoekster] ter zitting ook erkend. Deze schulden staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
De rechtbank laat de schulden van de vennootschappen waarvan [verzoekster] als aandeelhoudster en vennoot bij betrokken is geweest hier buiten beschouwing. [verzoekster] heeft laten zien dat de beide (in augustus 2025 ontbonden) vennootschappen [bedrijf 5] en [bedrijf 4] uit hoofde van loonheffing, omzet- en vennootschapsbelasting schulden hebben van ruim
€ 40.000,00. De actuele belastingschulden van [bedrijf 1] zijn niet bekend. [verzoekster] heeft verklaard niet of nog niet formeel aansprakelijk te zijn gesteld voor deze belastingschulden.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. De ondernemingen van [verzoekster], behoudens haar eenmanszaak, zijn inmiddels allemaal opgeheven. Uit de ondernemingen kunnen derhalve geen nieuwe schulden meer ontstaan. Daarnaast heeft [verzoekster] zich onder beschermingsbewind laten stellen. Het beschermingsbewind is uitgesproken op
14 oktober 2024. Sinds het beschermingsbewind zijn er geen nieuwe schulden meer ontstaan. Daarnaast heeft [verzoekster] ter zitting verklaard dat de aangiftes van haar eenmanszaak tijdig worden voldaan. Bij de rechtbank is voldoende vertrouwen dat [verzoekster] zich zal houden aan de verplichtingen van de Wsnp.
[verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank ziet aanleiding de duur van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw te stellen op 24 maanden vanwege de aard van de belastingschulden. De rechtbank weegt hierbij het feit dat [verzoekster] niet tijdig belastingaangiftes heeft gedaan terwijl zij evenmin middelen heeft gereserveerd om de belastingschulden te voldoen. De rechtbank neemt hierbij alleen haar eigen rol in aanmerking ten aanzien van het onbetaald blijven van de door haar opgegeven eigen belastingschulden en de aansprakelijkheid voor nog onbetaald gebleven belastingschulden van [bedrijf 2]. De Belastingdienst heeft nog geen besluiten genomen over hoofdelijke aansprakelijkheid voor belastingschulden van de besloten vennootschappen Witgoed Nederland, Mommyshake en Tatjana Holding. Uit dien hoofde heeft [verzoekster] dus nog geen schulden die mee gesaneerd kunnen worden in de verzochte regeling. Mocht de Belastingdienst hiertoe overgaan dan zou er sprake zijn van een nieuwe schuld die niet onder de werking van de schone lei valt.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat door [verzoekster] niet conform vtlb is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers. In plaats daarvan heeft [verzoekster] betalingsregelingen getroffen met en betalingen gedaan aan verschillende schuldeisers. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er niet is voldaan aan de afdrachtplicht gedurende het minnelijk traject.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster].
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum]-1991 te [geboorteplaats],
wonende te [adres 1], [postcode] [plaatsnaam];
aldaar handelend onder de naam [handelsnaam];
voorheen vennoot van [bedrijf 2],
gevestigd te [adres 2];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 22 april 2026 en de duur op 24 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
22 april 2028;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.