RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10802902 CV EXPL 23-30968
datum uitspraak: 19 juni 2026 (bij vervroeging)
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Select Car Lease B.V.,
vestigingsplaats: Woerden,
eiseres,
gemachtigde: mr. T. Prijn,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.W. Huijzer.
De partijen worden hierna ‘SCL’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 10 november 2023, met bijlagen;
het antwoord;
de e-mail met het bericht dat partijen een minnelijke regeling hebben bereikt, waarna de geplande zitting niet is doorgegaan en de zaak op de rol is doorgehaald;
de brief van SCL met het verzoek de zaak weer op de rol te plaatsen;
de rolbeslissing van 17 oktober 2025;
de brief van [gedaagde] waarin om een zitting is gevraagd.
Op 9 juni 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met mr. Prijn. [gedaagde] en haar gemachtigde zijn niet verschenen.
2. De beoordeling
Wat is er gebeurd?
SCL heeft vanaf 19 september 2018 een huurovereenkomst met [gedaagde] gehad voor de huur van een auto voor de duur van twee jaar. Die overeenkomst is daarna verlengd. Dat heeft geduurd tot 12 mei 2022 op welke datum de auto eerder is ingeleverd. Bij factuur van 20 december 2022 heeft SCL € 881,75 bij [gedaagde] in rekening gebracht, bestaande uit de leasetermijnen van april en mei 2022 en het bedrag van de eindafrekening minus de betaalde borg. [gedaagde] heeft niet betaald. Zij heeft te kennen gegeven dat met haar afgesproken is dat zij nog € 500,- moest betalen. Vervolgens heeft de gemachtigde van SCL bij e-mails van 30 december 2022 en 2 januari 2023 aan [gedaagde] meegedeeld dat zij
€ 632,26 dient te betalen, te weten het bedrag van € 500,- waarvan [gedaagde] erkend heeft het verschuldigd te zijn plus € 132,26 aan incassokosten. [gedaagde] heeft het bedrag van € 632,26 niet betaald, wat reden is geweest voor SCL om tot dagvaarding over te gaan. Na antwoord hebben partijen laten weten een minnelijke regeling te hebben getroffen. De zaak is vervolgens doorgehaald op de rol. In augustus 2025 heeft SCL gevraagd de zaak weer op de rol te plaatsen, omdat de minnelijke regeling niet is nagekomen. In de rolbeslissing is beslist dat te doen.
SCL eist (nog steeds) om [gedaagde] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling aan haar van € 632,26 met de wettelijke rente van 4% per jaar vanaf 1 december 2023. Met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten, met die rente.
[gedaagde] is het hiermee niet eens. Zij heeft om een zitting gevraagd om haar verhaal te doen. Dat is georganiseerd, maar [gedaagde] is met (late) kennisgeving niet verschenen.
Wat vindt de kantonrechter ?
Over het geëiste bedrag
Zoals hierboven vermeld betreft het geëiste bedrag van € 632,26 de som van € 500,- aan hoofdsom en € 132,26 en aan buitengerechtelijke incassokosten. Hierover het volgende.
Toewijzing hoofdsom van € 500,- met rente
Het bedrag van € 500,- wordt toegewezen, want [gedaagde] erkent het bedrag verschuldigd te zijn. Dat is haar standpunt geweest in de buitengerechtelijke fase en in deze procedure. Het aangevoerde dat [gedaagde] nooit de kans heeft gehad om het bedrag te betalen aan SCL, wordt niet gedeeld. Die kans is er natuurlijk wel geweest.
Ter zitting is van de zijde van SCL naar voren gebracht dat [gedaagde] in het kader van de minnelijke regeling als bedoeld onder 2.1. in totaal € 450,- heeft betaald (zes keer € 75,-), maar dat heeft niet geleid tot een eiswijzing, zodat het geëiste bedrag van € 500,00 in hoofdsom wordt toegewezen. Dat neemt niet weg dat de verrichte betalingen wel hierop in mindering strekken.
Het bedrag van € 500,- wordt verhoogd met het door SCL geëiste percentage van 4% aan rente, tenzij de wettelijke rente (anders dan nu) een lager percentage is, want dan geldt dat lagere percentage.
Afwijzing buitengerechtelijke incassokosten
Het bedrag van € 132,26 aan buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. onderkend wordt dat van de zijde van SCL inspanningen zijn verricht om het openstaande bedrag te innen, maar er is pas recht op een vergoeding hiervoor als een brief is gestuurd waarin de mogelijkheid is gegeven om binnen vijftien dagen na ontvangst van de brief alsnog zonder extra kosten te betalen. De brieven en e-mails die verzonden zijn, voldoen op dit punt niet aan de wet.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan SCL moet betalen op € 107,32 aan dagvaardingskosten, € 128,- aan griffierecht, € 174,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 87,-) en € 43,50 aan nakosten. Dat is in totaal
€ 452,82. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
De hoogte van het griffierecht past bij het deel van de eis dat is toegewezen. Het bedrag dat SCL meer aan griffierecht heeft betaald hoeft [gedaagde] niet te betalen, omdat dat is gebaseerd op het deel van de eis dat is afgewezen. Die kosten waren dus onnodig.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat SCL dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan SCL te betalen € 500,- met 4% rente per jaar althans met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW, als die rente lager is dan 4% per jaar, over de hoofdsom die na iedere wijziging vanaf 1 december 2023 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van SCL worden begroot op € 452,82 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. S.H. Poiesz en in het openbaar uitgesproken.
465