RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11614653 CV EXPL 25-7968
datum uitspraak: 19 juni 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[bedrijf] B.V., die handelt onder de naam [handelsnaam bedrijf] ,
vestigingsplaats: Almere,
eiseres,
vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger] ,
tegen
[gedaagde] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. S.G.G. Post.
De partijen worden hierna ‘ [handelsnaam bedrijf] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 4 februari 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de akte van [gedaagde] , met bijlage;
de aktes van partijen van na de zitting, met bijlagen.
Op 13 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken met [vertegenwoordiger] (hierna: [vertegenwoordiger] ) als [functienaam] van [handelsnaam bedrijf] en met [gedaagde] en haar gemachtigde. De zaak is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen bijlagen in het geding te brengen, wat gebeurd is.
2. De beoordeling
Inleiding: procedureel
Vooropgesteld wordt dat partijen aan het eind van de zitting is meegedeeld dat zij de gelegenheid kregen om nog bijlagen in te dienen en daarbij is expliciet benoemd dat het niet de bedoeling was een nieuwe conclusie in te dienen. De nadien door [handelsnaam bedrijf] genomen akte gaat echter verder dan het overleggen van bijlagen met een korte toelichting ter onderbouwing van haar eerder ingenomen stellingen, want het stuk gaat voort op het besprokene tijdens de zitting en bevat nieuwe (feitelijke en juridische) stellingen. Dit is in strijd met de goede procesorde, omdat hiertoe nadrukkelijk geen gelegenheid geboden is. Daarom wordt de inhoud van de akte, voor zover daarin sprake is van ‘napleiten’ en nieuwe (feitelijke en juridische) stellingen, bij de beoordeling buiten beschouwing gelaten. Voor zover met de akte bijlagen zijn ingebracht ter onderbouwing van de eerder ingenomen stellingen, wordt daarmee wel rekening gehouden.
Kern van de zaak
[handelsnaam bedrijf] heeft een pand gehuurd in [plaats] . Met ingang van
1 augustus 2020 heeft [handelsnaam bedrijf] voor de duur van 48 maanden een kamer in dat pand verhuurd aan haar toenmalige werknemer [gedaagde] voor € 300,- per maand. [gedaagde] is die huurovereenkomst aangegaan voor woonruimte voor haar dochter, die in Rotterdam studeerde. De andere kamers in het pand zijn verhuurd geweest aan anderen.
[handelsnaam bedrijf] heeft in 2021 voor € 1.478,62 een zonnescherm gekocht voor de woning van [gedaagde] . In oktober 2021 is het zonnescherm daar geleverd.
In 2024 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen beëindigd.
Bij factuur van 27 mei 2024 heeft [handelsnaam bedrijf] € 15.276,33 aan (achterstallige) huur inclusief indexering over de periode van 1 augustus 2020 tot en met 31 juli 2024 bij [gedaagde] in rekening gebracht. Bij factuur van 28 mei 2024 heeft [handelsnaam bedrijf] € 1.634,27 bij [gedaagde] in rekening gebracht, te weten € 1.478,62 voor het zonnescherm plus € 155,65 aan rente.
[handelsnaam bedrijf] eist dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 18.052,96, te weten € 15.276,33 aan achterstallige huur, € 1.634,27 voor het zonnescherm (inclusief rente) en € 1.142,36 aan buitengerechtelijke incassokosten, plus rente en kosten. Ook eist [handelsnaam bedrijf] dat de kantonrechter het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart.
[gedaagde] is het hiermee niet eens.
De eis van [handelsnaam bedrijf] wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Huurachterstand
Vastgesteld wordt dat [gedaagde] geen huurachterstand heeft, zodat het geëiste bedrag van € 15.276,33 dat hierop ziet niet kan worden toegewezen.
[gedaagde] heeft de huurachterstand betwist. Een deel van de geëiste huur is al betaald en een deel hoefde zij niet te betalen vanwege de intieme relatie die er tussen haar en [vertegenwoordiger] was ontstaan. Bovendien is de huurovereenkomst al eind februari 2022 geëindigd. Gelet op de onderbouwing van dit verweer van [gedaagde] is er reden voor ernstige twijfel over het waarheidsgehalte van de stellingen van [handelsnaam bedrijf] over de vermeende huurachterstand en daarmee over de gegrondheid van de eis.
In de dagvaarding is gesteld dat [handelsnaam bedrijf] na beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde] erachter is gekomen dat zij nooit huur voor de kamer heeft betaald. Achteraf zou zijn gebleken dat [gedaagde] , die werkzaam was op de financiële administratie, ten onrechte maandelijks de huur voor de kamer in de administratie had ingeboekt, maar feitelijk geen huurbetalingen heeft gedaan. Zij zou met briefpapier van [handelsnaam bedrijf] betalingsbewijzen hebben gefabriceerd.
Deze stellingen vinden al voor een groot deel weerlegging in de WhatsApp-berichten tussen [gedaagde] en [vertegenwoordiger] van 22 februari 2022, die [gedaagde] heeft ingebracht. Daaruit blijkt samengevat dat [gedaagde] toen aan [vertegenwoordiger] heeft meegedeeld dat haar dochter niet langer gebruik zou maken van de kamer, dat de kamer grotendeels was leeggehaald, en dat [gedaagde] ervoor zou zorgen dat de sleutels die week bij hem zouden komen. In reactie hierop heeft [vertegenwoordiger] laten weten dat hij er niet van opkeek, dat een bedankje voor anderhalf jaar gratis wonen en alle door hem gemaakte kosten en ingestoken tijd wel op zijn plaats was geweest, en dat hij de sleutels graag morgen tegemoet zou zien.
Het duidt erop dat de huurovereenkomst in februari 2022 opgezegd is. Op grond van de wet is opzegging tijdens een huurovereenkomst voor bepaalde tijd toegestaan; een bepaling in de huurovereenkomst die dat verbiedt, is nietig. Het duidt er ook op dat [vertegenwoordiger] de huuropzegging per eind februari 2022 toen geaccepteerd heeft en op dat moment al wist dat lange tijd geen huur betaald was, omdat hij zelf schreef dat haar dochter er gratis heeft gewoond. Daarvan heeft hij toen ook geen punt gemaakt, behalve dat hij een bedankje wel op prijs had gesteld. Een en ander valt niet te rijmen met het gestelde in de dagvaarding en de eis. Het doet er zodanig aan af dat de eis wat betreft de huur eigenlijk meteen al kan worden afgewezen.
[gedaagde] heeft verder onderbouwd aangevoerd dat zij in februari 2022 de kamer weer ter beschikking heeft gesteld door de sleutels per aangetekende post naar [handelsnaam bedrijf] te sturen. [handelsnaam bedrijf] brengt hier tegenin de sleutels niet te hebben ontvangen en dat geen eindinspectie heeft plaatsgevonden. Nergens blijkt uit dat [handelsnaam bedrijf] hierom alsnog gevraagd heeft. Dat [gedaagde] de kamer na februari 2022 onder zich gehouden zou hebben, is gelet op het voorgaande dus onvoldoende onderbouwd. Daarbij komt dat erkend is dat [handelsnaam bedrijf] zelf vanaf januari 2023 niet langer kon beschikken over het pand waarin de gehuurde kamer zich bevond, omdat de huurovereenkomst tussen [handelsnaam bedrijf] en haar verhuurder toen beëindigd is. Hierover is echter niets vermeld in de dagvaarding, wat kwalijk is, want hieruit volgt dat [handelsnaam bedrijf] vanaf januari 2023 geen huurgenot kon verschaffen. De eis die ziet op huurpenningen vanaf januari 2023 tot en met juli 2024 is dus ook om die reden ongegrond. Het feit dat hierover geen openheid door [handelsnaam bedrijf] is gegeven, heeft andermaal tot gevolg dat er ernstig moet worden getwijfeld aan de stellingen over een vermeende huurachterstand van vóór die tijd.
Gelet op het voorgaande staat niet vast dat [gedaagde] nog huurpenningen verschuldigd is. En omdat ernstig getwijfeld wordt over (het waarheidsgehalte van) het gestelde op dit punt en [handelsnaam bedrijf] bovendien geen concreet bewijsaanbod heeft gedaan, wordt zij niet toegelaten tot het bewijs van haar stellingen. Op basis van het onderbouwde verweer wordt dan ook geconcludeerd dat [gedaagde] geen huurachterstand heeft. De geëiste huurachterstand wordt daarom afgewezen.
Kosten zonnescherm
Het gedeelte van de eis dat ziet op het zonnescherm dat [handelsnaam bedrijf] heeft gekocht en dat is geleverd bij de woning van [gedaagde] , wordt eveneens afgewezen. [gedaagde] heeft ook deze eis betwist. Volgens [gedaagde] hoefde zij de kosten van het zonnescherm niet te betalen vanwege de relatie die zij en [vertegenwoordiger] hadden, die verder ging dan een normale relatie van werkgever en werknemer. Weliswaar heeft [handelsnaam bedrijf] WhatsApp-correspondentie van 23 juli 2021 overgelegd waaruit blijkt dat [gedaagde] betrokken was bij de bestelling, maar hieruit blijkt onvoldoende dat zij toen een betalingsverplichting van € 1.478,62 ten opzichte van [handelsnaam bedrijf] is aangegaan. Dat [handelsnaam bedrijf] bijna drie jaar na de bestelling (volgens [gedaagde] in dezelfde week dat zij beslag op de bankrekening van [vertegenwoordiger] heeft gelegd vanwege een veroordelend vonnis) pas een factuur heeft gezonden en ervoor nooit om betaling heeft verzocht, is ook een contra-indicatie voor de gestelde betalingsverplichting.
Zelfs als wordt aangenomen dat [gedaagde] een overeenkomst tot koop van het zonnescherm met [handelsnaam bedrijf] is aangegaan, kan de eis niet worden toegewezen. Reden daarvoor is dat [gedaagde] aangevoerd heeft dat het dan een consumentenkoop-overeenkomst zou betreffen en er sprake is van verjaring. Dat verweer zou in dat geval slagen, omdat het scherm is geleverd in het najaar van 2021 en pas in mei 2024 is verzocht om betaling van genoemd bedrag. Op dat moment was de vordering al verjaard vanwege de verjaringstermijn van twee jaren.
Gelet op het voorgaande staat niet vast dat [gedaagde] aan [handelsnaam bedrijf] nog een bedrag van € 1.478,62 verschuldigd is voor het zonnescherm. Daarom wordt dit deel van de eis ook afgewezen.
Rente en buitengerechtelijke incassokosten
Aangezien het bedrag aan huurachterstand en het bedrag voor het zonnescherm worden afgewezen, treft dat lot ook de nevenvorderingen. De geëiste bedragen aan rente en buitengerechtelijke incassokosten worden dus ook afgewezen.
Proceskosten
De proceskosten komen voor rekening van [handelsnaam bedrijf] , omdat zij ongelijk krijgt. De kantonrechter begroot de kosten die [handelsnaam bedrijf] aan [gedaagde] moet betalen op € 864,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.008,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
Deze veroordeling in de proceskosten wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [gedaagde] dat eist en [handelsnaam bedrijf] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
wijst de eis af;
veroordeelt [handelsnaam bedrijf] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 1.008,-;
verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F.A. Hut en in het openbaar uitgesproken.
465