RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11701089 CV EXPL 25-2058
datum uitspraak: 16 juli 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres] ,
woonplaats: [woonplaats 1] ,
eiseres,
die zelf procedeert (haar advocaat heeft zich na de zitting van 10 februari 2026 onttrokken).
tegen
[gedaagde] , die handelt onder de naam [handelsnaam] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1. De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 mei 2025, met bijlagen;
het antwoord, met bijlagen;
de bijlagen 12 tot en met 15 van [eiseres] .
Op 10 februari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren beide partijen aanwezig.
2. De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[eiseres] heeft op 16 augustus 2024 als consument een tweedehands Volkswagen Polo, bouwjaar 2003, voor € 2.100,- gekocht bij [gedaagde] . [eiseres] stelt dat de auto gebreken heeft, dat [gedaagde] deze niet heeft verholpen en dat zij daarom de overeenkomst met [gedaagde] mocht ontbinden. [eiseres] wil haar geld van de aankoop terug met vergoeding van onderzoekskosten, schorsing van de auto, motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies. De kantonrechter concludeert dat ontbinding gerechtvaardigd is. Dat betekent dat [gedaagde] de koopsom aan [eiseres] moet terugbetalen en dat [eiseres] de auto moet teruggeven. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De auto is non-conform
[eiseres] is een consument. Gelet op de mededelingen die [gedaagde] over de auto heeft gedaan en de proefrit mocht [eiseres] verwachten dat de auto op het moment van levering op 16 augustus 2024 zonder gebreken was. Zij mocht niet verwachten, dat zij geen onderhoudskosten aan de auto zou gaan krijgen. Van een auto van 21 jaar oud die bij aanschaf 205.811 km op de teller heeft staan moet een koper verwachten, dat er mogelijk enige tijd na de levering onderdelen vervangen of gerepareerd moeten worden.
Volgens [eiseres] werd zij op de dag van levering, op 16 augustus 2024, op weg naar huis geconfronteerd met verschillende gebreken aan de auto: er ging een lampje branden en de auto ging stotteren. [eiseres] heeft de auto toen naar [bedrijf] gebracht. [bedrijf] heeft op 4 september 2024 vastgesteld dat de motor onregelmatig loopt, de eerste en tweede cilinder defect zijn, sprake is van cilinderoverslag en de auto, ook na het vervangen van de bobine en bougies, op de derde cilinder blijft draaien. Als er geen reparatie plaatsvindt gaat de motor kapot volgens [bedrijf] . Deze bevindingen zijn vastgelegd in een diagnoseformulier. [gedaagde] heeft gesteld dat hij dat formulier niet vertrouwt, maar deze stelling alleen is onvoldoende om hieraan consequenties te verbinden.
Omdat tussen de koop en het ontstaan van de klachten minder dan 12 maanden zitten, wordt op grond van artikel 7:18a BW vermoed dat de gebreken al bestonden toen [eiseres] de auto kocht. Het is aan [gedaagde] om dat vermoeden te weerleggen, maar dat heeft hij onvoldoende gedaan. In tegendeel op de zitting heeft hij aangevoerd dat hij zelf heeft geconstateerd dat de lambda sensor stoorde en dat door zo’n storing de motor onregelmatig kan lopen. Ook heeft hij de inhoud van het diagnoseformulier niet weersproken. Dat betekent dat ervan wordt uitgegaan dat de auto niet voldoet aan de verwachtingen die [eiseres] op basis van de koopovereenkomst had en mocht hebben en dat de auto dus non-conform is als bedoeld in artikel 7:17 BW.
De overeenkomst is buitengerechtelijk ontbonden
Artikel 7:21 lid 3 BW bepaalt dat de verkoper verplicht is om binnen een redelijke termijn, zonder ernstige overlast voor de koper, het gebrek te herstellen. Daaraan heeft [gedaagde] niet voldaan. [eiseres] heeft de gebreken op 16 augustus 2024 geconstateerd. Zij heeft [gedaagde] hiervan op de hoogte gesteld en de auto op 7 september 2024 bij [gedaagde] gebracht. Volgens [gedaagde] bleek na het uitlezen van de auto dat er slechts een storing was van een niet goed functionerende lambda sensor. Verder kwamen er geen foutcodes naar voren. Volgens [gedaagde] had [eiseres] met de door haar gestelde gebreken niet van Dordrecht naar Dronten kunnen rijden. [gedaagde] trok de door [eiseres] gestelde gebreken daarom in twijfel. Wel heeft [gedaagde] haar aangeboden om de auto voor € 1.500,- terug te kopen, maar daar is [eiseres] niet mee akkoord gegaan. Nadat de discussie over de gebreken aan de auto en het herstel daarvan was vastgelopen, heeft de gemachtigde van [eiseres] op 14 november 2024 [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om de gebreken te herstellen. Op deze brief heeft [gedaagde] niet meer gereageerd. [gedaagde] heeft de gelegenheid gehad om de gebreken te herstellen, maar heeft hiervan geen gebruik gemaakt. [eiseres] was daarom op grond van artikel 7:22 lid 1 BW in combinatie met artikel 7:21 lid 2 BW bevoegd om de overeenkomst te ontbinden. De in dat verband gevorderde verklaring voor recht wordt daarom toegewezen.
Gevolgen van de ontbinding
In artikel 7:22 lid 7 BW staat dat als de overeenkomst is ontbonden de koper de zaak moet teruggeven aan de verkoper op kosten van de verkoper en de verkoper de koopsom moet terugbetalen aan de koper. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld tot terugbetaling van de koopprijs van € 2.100,-.
[eiseres] is verplicht om de auto terug te geven. Beide partijen moeten eraan meewerken dat het kenteken vervolgens op naam van [gedaagde] wordt gesteld. De vordering van [eiseres] tot het verschaffen van een vrijwaringsbewijs, die niet is weersproken, wordt toegewezen. De kantonrechter acht een termijn van 14 dagen na betekening van dit vonnis redelijk. De dwangsom die is gevorderd wordt gematigd en gemaximeerd toegewezen. [gedaagde] heeft geen last van de dwangsom als hij het vonnis naleeft.
Schadevergoeding
[eiseres] vordert een schadevergoeding van de onderzoekskosten, motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies en voor het schorsen van de auto.
De auto is op 8 februari 2025 geschorst. De kosten voor het schorsen van de auto bedragen € 29,10. Deze kosten zijn door [gedaagde] niet betwist en worden daarom toegewezen.
Vast staat dat [eiseres] de auto heeft gebruikt. De motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies van in totaal € 540,- zijn geen schade; deze kosten zou [eiseres] ook hebben gehad als er goed zou zijn geleverd. Bovendien had [eiseres] de auto ook vrij snel na 7 september 2024 kunnen schorsen om de kosten te beperken. Dit heeft zij niet gedaan. Deze kosten komen gelet op het voorgaande niet voor vergoeding in aanmerking.
[eiseres] vordert tot slot een vergoeding voor gemaakte onderzoekskosten van € 29,10. Dit bedrag is gelijk aan de kosten voor het schorsen van de auto. [eiseres] heeft dit bedrag verder niet gespecificeerd en geen factuur of andere stukken overgelegd waaruit de gestelde onderzoekskosten blijken. De kantonrechter acht dit onderdeel van de vordering daarom onvoldoende onderbouwd en zal deze afwijzen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 381,15 betalen
De incassokosten van € 381,15 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[eiseres] heeft verder € 40,00 aan buitengerechtelijke kosten over de onderzoekskosten, motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies gevorderd. Deze vordering zal worden afgewezen omdat de vordering ten aanzien van de onderzoekskosten, motorrijtuigenbelasting en verzekeringspremies ook is afgewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
[gedaagde] is tekortgeschoten en hij is in verzuim waardoor [gedaagde] rente verschuldigd is. [eiseres] eist de handelsrente (artikel 6:119a BW), maar die is niet van toepassing. [gedaagde] moet namelijk niet betalen op basis van een handelsovereenkomst. Daarom wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW. [eiseres] heeft niet uitgelegd vanaf wanneer [gedaagde] wettelijke rente is verschuldigd. Daarom wordt de wettelijke rente over het toegewezen bedrag van € 2.129,10 toegewezen vanaf de dagvaarding (12 mei 2025).
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 148,90 aan dagvaardingskosten, € 90,- aan griffierecht, € 434,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 217,-). Dat is in totaal € 673,90. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
verklaart voor recht dat de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is ontbonden op 18 maart 2025;
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 2.510,25 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 2.129,10 vanaf 12 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [gedaagde] om een deugdelijk vrijwaringsbewijs aan [eiseres] te verschaffen binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet voldoet aan deze veroordeling tot een maximum van € 5.000,- is bereikt;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 673,90;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A. Buizer en in het openbaar uitgesproken.
35789