Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/691461 / FA RK 24-9460
Beschikking van 28 juli 2026 over vervangende toestemming voor erkenning/de regeling van de uitoefening van het omgangsrecht/de informatie- en consultatieregeling
in de zaak van:
[naam man] , hierna: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres, thans gedetineerd verblijvende in de [locatie] ,
advocaat mr. A.M. Stam te Zaandam.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam vrouw] , hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats] , gemeente Rotterdam,
advocaat mr. M.G. Pittaluga te Rotterdam.
In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:
mr. G.J. Schipper - De Bruijn, advocaat te Spijkenisse, hierna te noemen de bijzondere curator.
1. De procedure
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
de beschikking van deze rechtbank van 22 april 2025, waarbij mr. Schipper-de Bruijn is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;
het verslag van bevindingen van de bijzondere curator van 25 augustus 2026;
de reactie tevens aanvullend verzoekschrift van de man met bijlage, ingekomen op 21 oktober 2026;
het verweerschrift van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 10 juni 2026;
de twee berichten van de vrouw van 15 juni 2026;
het bericht van de man van 15 juni 2026.
De vrouw heeft bij bericht van 15 juni 2026 verzocht haar partner toe te laten tot de mondelinge behandeling als belanghebbende subsidiair als informant. De man heeft daar gemotiveerd bezwaar tegen gemaakt. De rechtbank heeft partijen voorafgaand aan de zitting op 16 juni 2026 schriftelijk bericht de aanwezigheid van de partner niet toe te laten, omdat het een besloten behandeling betreft.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 16 juni 2026. Daarbij zijn verschenen:
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de bijzondere curator;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [naam] .
De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, uitgenodigd voor een gesprek met de kinderrechter. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt in een videobelgesprek met de kinderrechter.
2. De vaststaande feiten
De man en de vrouw hebben een affectieve relatie gehad.
Op [geboortedatum] 2013 is te [geboorteplaats] uit de vrouw geboren: [minderjarige] , hierna te noemen de minderjarige.
De man is de verwekker van de minderjarige.
De minderjarige is niet erkend.
Partijen en de minderjarige hebben de Nederlandse nationaliteit.
De vrouw is belast met het gezag over de minderjarige.
3. De beoordeling
Vervangende toestemming erkenning
Het verzoek - zoals aangevuld - strekt tot het aan de man verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige ter vervanging van de benodigde toestemming van de vrouw en de minderjarige.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
De bijzondere curator en de raad adviseren het verzoek af te wijzen.
De minderjarige verzet zich tegen het verzoek.
Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaren of ouder, op verzoek van de persoon die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, tenzij dit de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrang komt, mits deze persoon de verwekker van het kind is.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat de man de verwekker is van de minderjarige, zodat de man ontvankelijk is in zijn verzoek.
Als uitgangspunt heeft te gelden dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de man bij en zijn aanspraak op erkenning van het kind moet worden afgewogen tegen de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Het belang van de moeder is in de wet nader omschreven als haar belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. Wanneer de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning is dit op zichzelf onvoldoende grond de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Dit kan echter anders liggen indien de weerstand van de moeder belangrijke negatieve gevolgen heeft voor het kind. De weerstand van de moeder lijkt (mede) te zijn ingegeven door de juridische mogelijkheden die de erkenning met zich brengt, met name gezamenlijk gezag en de achternaam van de minderjarige. Deze mogelijkheden staan echter los van de erkenning en dienen niet in de beoordeling van het verzoek van de man te worden betrokken. De man heeft ook verklaard dat het hem daar niet om gaat.
Van schade aan de belangen van het kind is slechts sprake, indien ten gevolge van de erkenning er voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in zijn evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling. Daarvan is nog geen sprake als het kind tijdelijk enige weerslag (zoals onrust) ondervindt ten gevolge van de erkenning.
De rechtbank begrijpt de stellingen van de man aldus dat zijn belang bij erkenning vooral is gelegen in de wens om het erfrecht te regelen en dat de minderjarige een rol in zijn leven krijgt zodat hij zichzelf als mens en vader beter kan ontwikkelen tijdens zijn jaren in detentie.
De vrouw heeft uitvoerig en onderbouwd gesteld dat sprake is van weigerings-gronden, gezien de jarenlange ernstig verstoorde verhouding tussen partijen, de omstandigheid dat de man thans een langdurige gevangenisstraf (in ieder geval nog zes jaar) uitzit wegens een zeer ernstig delict en de grote weerstand die de minderjarige heeft bij de gedachte dat de man juridisch als zijn vader wordt geregistreerd.
De bijzondere curator heeft geconcludeerd dat erkenning niet in het belang van de minderjarige is. Zij heeft daarbij onder andere gewicht toegekend aan het standpunt van de minderjarige, de weerslag die de te verwachten strijd tussen de man en de vrouw op de minderjarige zal hebben, het waarborgen van de stabiele opvoedingssituatie van de minderjarige, zijn sterke verbondenheid met het huidige gezin en het ontbreken van enige meerwaarde van erkenning voor zijn ontwikkeling. De minderjarige is bekend met zijn afstamming. Er is geen sprake van een bestaande vader-kind relatie. De man heeft voorts nog ruim zes jaar detentie voor de boeg waardoor hij zijn verantwoordelijkheden als ouder niet kan vervullen.
De minderjarige geeft bij de bijzondere curator en in het kindgesprek met de kinderrechter aan dat hij niet door de man wil worden erkend. De raad en de bijzondere curator sluiten gelet op de leeftijd van de minderjarige en zijn weerstand tegen erkenning door de man niet uit dat een geforceerde erkenning averechts zal werken en zal maken dat hij de man verder wegduwt. In het licht van het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank een reëel risico aanwezig dat de minderjarige wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling op het moment dat hij tegen zijn wil wordt erkend door de man. Op dit moment gaat het heel goed met de minderjarige. Bij de afweging van de belangen dient in aanmerking te worden genomen dat het bij het hiervoor bedoelde reële risico noodzakelijkerwijs gaat om een verwachting omtrent toekomstige feiten, niet om een gevolg dat zich noodzakelijkerwijs voor zal doen. Doorslaggevend bij de weging van de belangen is echter dat de na verkregen toestemming gedane erkenning onomkeerbaar is. Met andere woorden, nu de risico’s die kleven aan de erkenning zo ingrijpend en reëel zijn, zou het onverantwoord zijn desondanks een onomkeerbare beslissing te nemen waarvan op dit moment zeer aannemelijk is dat die niet in het belang is van de minderjarige. Hieruit volgt dat het verzoek van de man wordt afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat zelfs als de weerstand bij de minderjarige niet intrinsiek zou zijn (zoals de man stelt maar niet is komen vast te staan) uit de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam is gebleken dat ten gevolge van de erkenning voor de minderjarige een reëel risico ontstaat dat hij wordt belemmerd in een evenwichtige ontwikkeling. Het gaat de rechtbank dus zeker niet alleen om de persoonlijke mening van de minderjarige.
De rechtbank is van oordeel dat de taak van de bijzondere curator in deze procedure als beëindigd kan worden beschouwd. Mocht een van partijen echter een rechtsmiddel instellen, dan herleeft de taak van de bijzondere curator. De rechtbank zal op die manier beslissen.
Omgangsregeling
De man verzoekt een regeling van de uitoefening van het omgangsrecht (hierna: omgangsregeling) vast te stellen. Daarbij zijn de contactmomenten als volgt:
- elke week, op een nader te bepalen dag, telefonisch tussen 19:00 uur en 21:00 uur voor de duur van maximaal 30 minuten waarbij de man naar de minderjarige belt;
- een keer in de veertien dagen, dan wel een keer per maand, op een oneven zaterdag een uur tijdens de bezoekmomenten van de PI, zijnde om 10:30 uur of 12:50 uur of 15:00 uur en tijdens de vader-kind dagen van de PI, dan wel een nader te bepalen regeling.
De vrouw voert gemotiveerd verweer.
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Aangezien de man geen juridische ouder is van de minderjarige moet worden beoordeeld of hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot de minderjarige.
Het enkele feit dat de man de verwekker van de minderjarige is, is onvoldoende om te stellen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. Op grond van vaste jurisprudentie moet van bijkomende omstandigheden blijken waaruit voortvloeit dat er tussen de man en de minderjarige een nauwe persoonlijke betrekking bestaat of een band die kan worden aangemerkt als ‘family life’ in de zin van artikel 8 EVRM. Deze bijkomende omstandigheden moeten zijn gelegen in de aard van de relatie tussen de man en de vrouw, de betrokkenheid van de man bij de minderjarige voor en na de geboorte, dan wel in de band die na de geboorte tussen de man en de minderjarige is ontstaan.
De rechtbank heeft begrip voor de wens van de man aan contact. De man is echter grotendeels afwezig geweest in het leven van de minderjarige. Hij heeft de minderjarige in de afgelopen twaalf jaar slechts een beperkt aantal keren gezien. Reeds geruime tijd vóór de detentie van de man vond het laatste contact plaats. Van een bestendige omgangsrelatie is nooit sprake geweest. Er bestaat geen vertrouwensband, geen continuïteit en geen geschiedenis van structureel contact. De minderjarige weet dat de man zijn biologische vader is, maar ziet hem als een vreemde in zijn leven en heeft ernstige bezwaren tegen omgang kenbaar gemaakt.
De advocaat van de man heeft aangevoerd dat de man graag contact wil met de minderjarige. Wel ziet de man tijdens de zitting in dat een omgangsregeling niet haalbaar is en legt hij zich neer bij de wens van de minderjarige om nu geen contact te hebben.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarige en de man. Vanwege het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en de minderjarige kan de man niet worden ontvangen in zijn verzoek tot het bepalen van een omgangsregeling. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Los van het oordeel dat geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking, overweegt de rechtbank nog als volgt. Gezien de stelligheid van de minderjarige in zijn standpunt geen behoefte te hebben aan contact met de man, acht de rechtbank het net als de raad, niet in zijn belang geforceerd omgang tot stand te brengen. Omdat de man nog zeer lang gedetineerd zal zijn, zou eventuele omgang plaatsvinden in de gevangenis. Voor een kind is dit een erg onveilige omgeving. De minderjarige staat wel open voor het ontvangen van een kaartje of een brief en niet vaker dan één keer per maand bellen. Dit is - ook in de visie van de raad - het hoogst haalbare contact in de huidige omstandigheden.
Informatie- en consultatieregeling
De man verzoekt een informatie- en consultatieregeling vast te stellen waarbij de vrouw de man tweemaandelijks met een e-mailbericht dient te informeren omtrent de ontwikkeling en belangrijke gebeurtenissen in het leven van de minderjarige alsmede vier recente foto's en drie video's van minimaal drie minuten aan de man dient toe te zenden.
De vrouw voert gemotiveerd verweer:
Met betrekking tot de informatieplicht overweegt de rechtbank dat weliswaar artikel 1:377b BW slechts een wettelijk recht op informatie toekent aan de niet met het
gezag belaste ouder, echter brengt artikel 8 EVRM mee dat ook aan degene die in een nauwe betrekking tot het kind staan dit recht kan toekomen.
Zoals onder 3.21. overwogen is niet gebleken van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en de minderjarige zodat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek en de rechtbank dit verzoek zal afwijzen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat een informatieregeling indruist tegen het belang van de minderjarige omdat hij daar ernstig bezwaar tegen heeft en al belast genoeg wordt met de huidige situatie.
Kindbrief
De kinderrechter heeft met de minderjarige afgesproken in een brief aan hem te vertellen wat de beslissing is. De minderjarige krijgt een brief met de volgende inhoud.
Beste [minderjarige] ,
Wij hebben elkaar op 9 juni 2026 gesproken. Daarna heb ik op 16 juni 2026 met jouw ouders gesproken. In deze brief staat – kort - wat ik over jou heb beslist en waarom.
Toen wij elkaar spraken, hoopten we allebei dat Kaapverdië heel ver zou komen op het WK. Echt knap dat dat ook gelukt is! Bij iedere wedstrijd heb ik ook even aan jou gedacht. Ik hoop dat je iets van de wedstrijden hebt kunnen zien, ook al waren ze op onmogelijke tijdstippen. Je straalde toen we het over voetbal hadden. Je vertelde me dat je gelukkig bent en dat het goed met je gaat. Je vertelde over het gezin waarin je opgroeit en over je moeder. Je bent heel blij met hoe het is. We hebben het ook over je vader gehad. Je weet wie hij is en je weet ook dat het niet makkelijk is, de hele situatie niet. Die situatie is als onderwerp in jouw leven soms helemaal niet aanwezig, en soms is die er toch weer even wel.
Jij maakte mij duidelijk dat je graag wil dat alles blijft zoals het is. Je voelde je er helemaal niet prettig bij dat jouw vader het verzoek had gedaan om jou te mogen erkennen. “Hij kent mij niet, dus waarom moet hij mij dan erkennen?” Zo vatte je het zelf samen.
Jij weet heel goed wie jouw ouders zijn. Vaak leven kinderen samen met hun ouders, maar soms is dat ook niet zo, zoals bij jou. Dan gebeurt het ook wel eens dat een ouder iets anders wil dan een kind. Dat is altijd ingewikkeld. Daarom hebben wij samen gepraat en daarom was er ook een zitting waar ik jouw ouders met hun advocaten heb ontmoet, en ook mevrouw Schipper - De Bruijn, de bijzondere curator met wie jij eerder ook hebt gepraat.
Op die zitting heb ik een goed beeld gekregen van de situatie. Ik snap echt dat het voor jouw vader veel zou betekenen om jou te erkennen. Tegelijkertijd staat jouw belang voor mij voorop. Ik kwam tot de conclusie dat zijn verzoek niet past bij jouw belang.
Ik heb jouw vader daarom geen toestemming verleend om jou te mogen erkennen. Ook heb ik geen omgangsregeling vastgesteld. Tot slot heb ik ook zijn verzoek om een informatieregeling afgewezen. Je kunt af en toe contact hebben, maar dat moet dan op een ongedwongen manier gaan, zonder schelden en tieren. Ik heb daar geen regeling voor vastgelegd.
Dat betekent niet dat daarmee alle problemen zijn opgelost. Jouw vader is en blijft jouw vader. Je moet er zelf een weg in vinden hoe je daarmee wil en kunt omgaan. Het kan best moeilijk zijn om zulke vragen voor jezelf te beantwoorden. Maar je bent slim en opgewekt en heel tevreden met de mooie dingen in je leven. Daar komt bij dat je je ook nog eens heel goed kunt uitdrukken nadat je eerst goed hebt nagedacht. Dat zijn eigenschappen die jou gaan helpen om met de moeilijke dingen om te gaan.
[minderjarige] , bedankt voor het fijne gesprek dat ik met je had. Ik wens je het allerbeste en een fijne zomervakantie.
Met hartelijke groet,
de kinderrechter
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijst af de verzoeken van de man.
beschouwt – voor zover er geen hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing – de werkzaamheden van de bijzondere curator voor deze procedure met ingang van de datum van deze beschikking als beëindigd;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Huizenga, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 28 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Verzoeker en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere manier bekend is geworden.