Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 12 augustus 2026
[verzoekster]
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 13 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 4 augustus 2026.
Ter zitting van 4 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster is in de financiële problemen gekomen omdat haar inkomsten uit haar werkzaamheden als zelfstandige niet voldoende waren om haar vaste lasten te voldoen. Verzoekster heeft een BBZ-uitkering aangevraagd. Deze aanvraag is nog in behandeling. Verzoekster heeft zicht op een betaalde dienstbetrekking in loondienst voor 32 uur per week met ingang van 1 september 2026. Verzoekster moet nog een assessment doen, maar de vooruitzichten zijn goed. De huur voor de maand augustus 2026 is, behoudens het bedrag van de huurverhoging, voldaan op 20 juli 2026. Verzoekster zal de huurverhoging alsnog nabetalen en in het vervolg het juiste huurbedrag voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het saldo op de bankrekening tezamen met de toeslagen die verzoekster ontvangt van de belastingdienst, voldoende is om de huur over de maand september 2026 te voldoen. Schuldhulpverlening heet ter zitting verklaard dat het verzoek tot onderbewindstelling al is ingediend bij de rechtbank. De afdeling beschermingsbewind van stichting Nieuw Vaarwater zal het beschermingsbewind uitvoeren. Schuldhulpverlening zal de schulden inventariseren en een voorstel doen aan de schuldeisers.
3. Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard dat de huurachterstand inclusief kosten op dit moment € 9.669,67 bedraagt. Dit betreft een huurachterstand van minimaal acht maanden. Verweerster heeft geconstateerd dat aan verzoekster al diverse malen hulp is aangeboden, echter deze hulp werd niet door haar aanvaard. Het is positief dat verzoekster een verzoekschrift tot onderbewindstelling heeft ingediend bij de rechtbank. Verweerster wil dat de betaling van de lopende huurtermijnen gewaarborgd is en acht het daarom van groot belang dat verzoekster onder beschermingsbewind wordt gesteld. Daarnaast dient maandelijks het juiste huurbedrag betaald te worden. Indien verzoekster aan deze vereisten voldoet, heeft verweerster geen bezwaar tegen toewijzing van het verzoek.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 26 juni 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen met haar twee minderjarige kinderen van vier en zes jaar en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen. Door een ontruiming worden de minderjarige kinderen ernstig benadeeld.
De rechtbank oordeelt als volgt. Blijkens de beantwoording door de Hoge Raad in de prejudiciële beslissing van 28 november 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1799), brengt de in artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) aan de rechter gegeven opdracht mee dat deze zo nodig ambtshalve dient te onderzoeken of de gevorderde ontruiming ook kinderen zal treffen en wat in de gegeven omstandigheden in hun belang is. Het zou dus zo moeten zijn dat de kantonrechter, die over de ontruiming oordeelt, daarin de belangen van de kinderen op de door de Hoge Raad bedoelde wijze meeneemt. In het op
10 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken verstekvonnis van de kantonrechter tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster komen deze belangen niet aan de orde.
De vraag is of de rechtbank deze belangen wel kán meewegen. De rechtbank oordeelt dat zij dit kan, omdat het om een - eventueel ambtshalve - toetsing door de rechter gaat op grond van een verdragsbepaling, de kantonrechter dit achterwege heeft gelaten en omdat de belangenafweging voortvloeiend uit de beslissing van de Hoge Raad niet alleen door kantonrechters in ontruimingszaken wordt gemaakt.
De rechtbank acht het niet in het belang van de jonge kinderen van verzoekster om op korte termijn geen dak meer boven het hoofd te hebben. Dit betekent niet dat een woning waarin kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. Verweerster ziet zich geconfronteerd met een grote huurachterstand en haar belang bestaat erin dat zij het vonnis van 10 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.
Daar staat dan weer tegenover dat naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. De huur over de maand augustus 2026 is, op de huurverhoging na, voldaan. Verzoekster heeft ter zitting toegezegd het bedrag van de huurverhoging alsnog te zullen voldoen. Er is een verzoek tot onderbewindstelling ingediend. Teneinde deze aanvraag tot bewind te bespoedigen heeft verzoekster ter zitting het formulier ten behoeve van de snelle route bewind ondertekend. Beschermingsbewind waarborgt de betaling van de lopende huurtermijnen. Het schuldhulpverleningstraject zal worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zelf en dat van haar minderjarige kinderen zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 10 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [straatnaam] te ( [postcode] ) [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 14 juli 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.