ECLI:NL:RBROT:2026:10769

ECLI:NL:RBROT:2026:10769

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 10-08-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer NL:TZ:2616125:R-RK – NL:TZ:2616126:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

moratorium toegewezen voor zes maanden. Lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden betaald. Aan de schuldeisers is inmiddels een aanbod gedaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing

toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk

rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]

uitspraakdatum: 10 augustus 2026

[verzoeker] ,

wonende te [straatnaam] ,

[postcode] [woonplaats] ,

verzoeker.

1. De procedure

Verzoeker heeft op 20 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

In het vonnis van deze rechtbank van 20 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 augustus 2026.

Ter zitting van 3 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:

[naam] heeft namens de stichting Stichting Woonplus Schiedam, gevestigd te Schiedam (hierna: verweerster) op 27 juli 2026 spreekaantekeningen aan de rechtbank toegezonden met de mededeling dat verweerster ter zitting aanwezig zal zijn. Bij

e-mailbericht van 28 juli 2026 heeft verweerster een mail toegezonden met een aanvullende productie met de mededeling dat zij geen mogelijkheid heeft de zitting bij te wonen.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2. Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.

Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat de schuldenproblematiek hem veel stress oplevert. Hij heeft psychische klachten en maakt ook in zijn privéleven op dit moment ingrijpende gebeurtenissen mee. Met betrekking tot het hierna te bespreken verweer heeft verzoeker verklaard dat hij uit een schrikreactie over de hoge kosten verweerster heeft bericht dat hij vrijwillig de woning zal verlaten. Verzoeker wenst echter de woning te behouden om te kunnen werken aan zijn schuldenproblematiek. Verzoeker heeft inkomsten uit een Wajonguitkering en huur- en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te kunnen voldoen. De advocaat heeft verklaard dat de financiële situatie van verzoeker stabiel is. De advocaat heeft verder ter zitting verklaard dat verzoeker afgelopen week op aanwijzing van de advocaat – die tevens met zijn eigen financiële afdeling het budgetbeheer uitvoert – de huur over de maand augustus 2026 heeft voldaan. Verzoeker heeft geen omschrijving bij de betaling gezet, maar het spreekt voor zich dat het gaat om de huur voor de maand augustus 2026. Verzoeker heeft eerder getracht met behulp van de reclassering zijn schulden te regelen. Dit is echter niet gelukt, omdat er betalingsregelingen waren afgesproken die verzoeker niet kon nakomen. De advocaat heeft de schuldenlast inmiddels geïnventariseerd. Het betreft negen schuldeisers, aan welke schuldeisers vorige week een aanbod is gedaan. Twee schuldeisers hebben inmiddels ingestemd met het aanbod.

3. Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verzoeker huurt de woning sinds 20 februari 2025 en sindsdien verlopen de betalingen niet soepel. Verzoeker heeft in oktober 2025 aan verweerster meegedeeld dat hij een aanmelding voor schuldhulpverlening heeft gedaan. In november 2025 zou de reclassering verzoeker helpen met het op orde brengen van zijn financiële administratie. Verweerster heeft als voorwaarde gesteld dat de huur over de maand november 2025 zou worden voldaan en een regeling zou worden getroffen voor de maanden mei en augustus 2025. Ook deze regeling is na twee maanden niet meer nagekomen en de betaling van de reguliere huur is uitgebleven. De huurachterstand bedraagt op dit moment € 5.895,39. Verweerster heeft er geen enkel vertrouwen in dat de situatie verbetert en/of stabiliseert. Bovendien heeft verzoeker bij e-mailbericht van 1 juli 2026 laten weten dat hij de woning 20 juli 2026 vrijwillig zal verlaten. Ook deze afspraak is verzoeker niet nagekomen.

4. De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 16 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 29 juni 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 23 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 16 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Het inkomen van verzoeker is stabiel. Hij ontvangt inkomsten uit een Wajong-uitkering en huur-en zorgtoeslag. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand augustus 2026 is eind juli 2026 voldaan. De advocaat voert met zijn eigen financiële team het budgetbeheer van verzoeker uit. Er is een beheerrekening geopend en de inkomsten worden op deze beheerrekening gestort. De schuldenlast is geïnventariseerd en de advocaat heeft inmiddels een voorstel aan de schuldeisers gedaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.

De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.

Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5. De beslissing

De rechtbank:

- schort de tenuitvoerlegging op van het op 16 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan het [straatnaam] te ( [postcode] ) [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 20 juli 2026;

- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;

- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;

- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van

C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J.T.P. Pot

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand