RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
De minister van Financiën
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/4511
(gemachtigde: mr. D. Gürses),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om overname van geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister heeft de aanvraag gedeeltelijk afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister dat terecht gedaan. Hij mocht ook in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van 18 december 2024 heeft de minister de aanvraag van eiser om overname van geldschulden op grond van de Wht afgewezen.
Met het besluit van 8 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 december 2024 ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 11 juni 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Overwegingen van de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser is gedupeerde in de toeslagenaffaire. In 2024 heeft hij een aanvraag ingediend bij Sociale Banken Nederland (SBN) tot overname van geldschulden aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van € 7.884,20 en € 3.521,05 en aan Vesting Finance inzake Arrow Global van € 133.827,97.
4. De minister heeft de aanvraag tot overname van geldschulden aan het CJIB afgewezen omdat het publieke schulden aan de overheid zijn. De minister heeft de aanvraag tot overname van een geldschuld aan Vesting Finance inzake Arrow Global afgewezen omdat de schuld is ontstaan en opeisbaar is geworden voor 1 januari 2006. Volgens de minister is deze schuld ontstaan uit een doorlopend krediet dat in april 2002 is afgesloten en is uit een overzicht van de schuldeiser gebleken dat de eerste betalingsachterstand is ontstaan op 7 januari 2003.
Beoordeling door de rechtbank
Schulden aan het CJIB namens het CAK
5. Eiser voert aan dat de minister de schulden aan het CJIB moet kwijtschelden. Deze schulden zijn ontstaan voor 1 juni 2021 en verwijzing naar het CJIB voor kwijtschelding is onnodig formalistisch. De minister heeft in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel gehandeld door niet te onderzoeken of de schulden voor kwijtschelding in aanmerking komen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de schulden aan het CJIB terecht niet heeft kwijtgescholden. Uit de in het dossier opgenomen facturen van het CJIB volgt dat het CJIB namens het CAK de bestuursrechtelijke premie int omdat eiser door zijn zorgverzekeraar bij het CAK is aangemeld als wanbetaler. Het gaat dus om schulden aan het CAK. Het CAK scheldt ambtshalve schulden kwijt die verband houden met de uitvoering van de wettelijke taken op het terrein van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Onze Minister voor Langdurige Zorg en Sport, die betrekking hebben op de periode tot en met 31 december 2020 voor zover deze niet zijn voldaan aan degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Het CAK is belast met de heffing en inning van de bestuursrechtelijke premie ten aanzien van een zorgverzekering waarvoor een premieschuld ter hoogte van zes of meer maandpremies is ontstaan. Niet de minister maar het CAK is dus bevoegd schulden ter zake van de bestuursrechtelijke premie kwijt te schelden. De minister hoeft bestuursrechtelijke schulden alleen over te nemen als deze op grond van hoofdstuk 3 van de Wht niet voor kwijtschelding in aanmerking komen. Daarbij gaat het om schulden bij uitvoeringsorganisaties waarmee geen afspraken zijn gemaakt over de kwijtschelding van schulden. Met het CAK zijn juist wel afspraken gemaakt, waardoor de minister niet zelf hoefde te beoordelen of deze schulden kwijtgescholden kunnen worden. Van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel is dus geen sprake. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Schuld aan Vesting Finance inzake Arrow Global
6. Niet in geschil is dat de schuld aan Vesting Finance is ontstaan vóór 1 januari 2006 en daarom niet voldoet aan de vereisten voor overname op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Wht. Eiser stelt dat de schuld na 31 december 2005 opeisbaar is geworden nadat hij als gevolg van problemen met de kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 en 2009 niet kon voldoen aan de betalingsverplichtingen. De minister moet daarom afwijken van de Wht. Eiser doet daartoe een beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hardheidsclausule. De minister mag geen hoge eisen stellen aan een beroep op de hardheidsclausule op grond van artikel 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het EVRM omdat eiser is gediscrimineerd bij de uitvoering van de regels omtrent kinderopvangtoeslag. Door de problemen met de kinderopvangtoeslag hebben eiser en zijn gezin moeilijke tijden doorgemaakt, waar zij nog steeds onder lijden. Eiser heeft hoge schulden, gezondheidsproblemen, zijn dochter is uit huis geplaatst en zijn partner is gokverslaafd en vertrokken uit de echtelijke woning.
Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek tot overname van de schuld aan Vesting Finance terecht afgewezen. De rechtbank licht dat hierna toe.
Het beroep van eiser strekt er onder meer toe dat de rechtbank het vereiste dat een schuld is ontstaan voor 1 januari 2006, zoals opgenomen in artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder c van de Wht, toetst aan het evenredigheidsbeginsel. Naar de rechtbank begrijpt betoogt eiser dat de minister niet heeft onderkend dat het wettelijke vereiste dat de schuld moet zijn ontstaan voor 1 januari 2006 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en in zijn geval buiten toepassing moet worden gelaten.
De Wht is een wet in formele zin. Dat betekent dat de rechtbank artikel 4.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wht in beginsel niet mag toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit kan alleen als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en deze omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Daarvan is hier geen sprake. De wetgever heeft ervoor gekozen om alleen schulden in aanmerking te laten komen voor overname als deze zijn ontstaan na 31 december 2005, omdat het huidige systeem van kinderopvangtoeslag in werking is getreden op 1 januari 2006. Schulden van voor die datum kunnen dus niet het gevolg zijn van een probleem met de kinderopvangtoeslag. Hieruit volgt dat de wetgever de mogelijke gevolgen van het vereiste van het ontstaan van de schuld voor 1 januari 2006 onder ogen heeft gezien en daarin een welbewuste keuze heeft gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Eiser doet ook een beroep op de hardheidsclausule. De minister kan afwijken van artikel 4.1 van de Wht over de overname van geldschulden, voor zover toepassing van die bepaling, gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Deze hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Eiser heeft geen inzicht gegeven in de actuele en financiële omstandigheden waaruit zou volgen dat het niet overnemen van de schuld op dit moment zou leiden tot een schrijnende situatie. De gemachtigde van eiser heeft overigens op de zitting verklaard dat de schuld bij Vesting Finance op dit moment niet actief wordt geïncasseerd. Eiser heeft zijn persoonlijke situatie niet onderbouwd en is ook niet op de zitting verschenen om een toelichting te geven op de gezinssituatie en zijn gezondheidsproblemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister de schulden niet hoeft over te nemen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Joosse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.