Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 augustus 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 21 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In de oproepbrief van deze rechtbank van 22 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 augustus 2026.
Ter zitting van 3 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij op dit geen inkomsten uit arbeid of uitkering heeft. Haar aanvraag voor een Participatiewet-uitkering is afgewezen. Tegen deze afwijzing is bezwaar aangetekend. De inkomsten van verzoekster bestaan uit de maandelijkse toeslagen die zij ontvangt van de Belastingdienst. Met ingang van 1 september 2026 heeft verzoekster een betaalde dienstbetrekking gevonden in de schoonmaak. Haar eerste salaris zal zij rond 10 september 2026 ontvangen, omdat het hier gaat om een salaris per vier weken. De huur over de maand augustus 2026 is voldaan. Met betrekking tot het hierna te bespreken verweer dat verzoekster te weinig huur voldoet, heeft verzoekster opgemerkt dat de huurverhoging niet klopt, omdat bij de huurverhoging is uitgegaan van verhoging op basis van een vrije sectorwoning. Verzoekster is zich er van bewust dat zij de volledige huur dient te voldoen, totdat de daartoe bevoegde instantie een uitspraak heeft gedaan over de huurverhoging. Zij zal alsnog zorgdragen voor betaling van het restantbedrag over de maand augustus 2026.
De huur over de aankomende maanden zal ook tijdig worden voldaan. Een kennis van verzoekster heeft zich bereid verklaard de lopende huurtermijnen te voldoen, mocht haar inkomen niet toereikend zijn. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat er op 10 juni 2026 een verzoek tot onderbewindstelling is ingediend. Met beschermingsbewind zijn de lopende huurtermijnen gewaarborgd. Zodra het beschermingsbewind is uitgesproken, zal het schuldhulpverleningstraject worden opgestart.
3. Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Verweerster heeft geen enkel vertrouwen dat het schuldhulpverleningstraject zal slagen. Op verzoekster is al eerder de WSNP van toepassing verklaard. Deze regeling is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2025 tussentijds beëindigd. Verweerster heeft geen vertrouwen in beschermingsbewind. Verzoekster stelt het verzoekschrift te hebben ingediend, maar er is niets meer van vernomen. Verweerster heeft verzoekster al vele kansen geboden tot een oplossing te komen. Verzoekster is al diverse malen verzocht om haar achtertuin op te ruimen. Dit gaat weliswaar het toetsingskader te buiten, maar verweerster wil hiermee een punt maken. Verzoekster geeft geen gehoor aan de verzoeken van verweerster. Hieruit blijkt dat met verzoekster geen afspraken te maken zijn. Ten slotte is de huur over de maand augustus 2026 voldaan, echter verzoekster betaalt € 50,-- te weinig.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 9 juli 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 18 augustus 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning met haar kinderen kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 19 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft de huur over augustus 2026 (deels) voldaan. Ter zitting heeft zij toegezegd het restantbedrag over augustus 2026 alsnog te voldoen. Verzoekster zal door middel van haar toeslagen en zo nodig met behulp van derden de toekomstige lopende huurtermijnen tijdig voldoen, totdat haar financiële situatie stabiel is. Haar aanvraag voor een Participatiewet-uitkering is afgewezen, maar zij heeft tegen deze afwijzing bezwaar aangetekend. Indien het bezwaar gegrond wordt verklaard zal verzoekster met terugwerkende kracht over drie maanden een uitkering ontvangen, aldus verzoekster. Met ingang van 1 september 2026 heeft verzoekster een betaalde dienstbetrekking gevonden. Met deze inkomsten wordt de financiële situatie stabieler. Daarnaast is er beschermingsbewind aangevraagd. Beschermingsbewind waarborgt de betaling van de lopende huurtermijnen. Zodra het beschermingsbewind is uitgesproken, zal het schuldhulpverleningstraject worden opgestart. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 19 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan het [straatnaam] te ( [postcode] ) [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf heden;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.