ECLI:NL:RBROT:2026:10773

ECLI:NL:RBROT:2026:10773

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 27-07-2026
Datum publicatie 28-08-2026
Zaaknummer ROT 24/1019, ROT 24/1274 en ROT 24/1275
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee daktoegangen en twee dakterrassen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun bezwaren daartegen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 de zaak tussen

[eiser 1] , uit [plaats] (ROT 24/1019), [eiser 1]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 24/1019, ROT 24/1274 en ROT 24/1275

(gemachtigde: mr. A.M.L. Magielse)

[eiser 2] , uit [plaats] (ROT 24/1274), [eiser 2]

[eiser 3] , uit [plaats] (ROT 24/1275), [eiser 3]

gezamenlijk te noemen: eisers

en

(gemachtigde: mr. C.W. de Jong).

1. Deze uitspraak gaat over een verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van twee daktoegangen en twee dakterrassen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van hun bezwaren gericht tegen de verleende vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van deze beroepsgronden.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Eisers krijgen dus gelijk. De rechtbank oordeelt echter dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 9 december 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van twee daktoegangen en twee dakterrassen op de locatie [locatie] in Rotterdam (de locatie).

Bij afzonderlijke besluiten van 19 december 2023 (de bestreden besluiten) heeft verweerder op de bezwaren van eisers beslist en heeft verweerder de verleende omgevingsvergunning in stand gelaten.

[eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] (mede namens [naam 1] ) hebben afzonderlijk van elkaar beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten, op (nagenoeg) dezelfde gronden.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend gericht tegen de ingediende beroepen.

De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers en de gemachtigden van verweerder bijgestaan door [naam 2] , [naam 3] [naam 4] en [naam 5] .

Na de zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien om de onderhavige procedures op de voet van artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gevoegd te behandelen nu de beroepsgronden van eisers (nagenoeg) overeenkomen.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3. Op 21 september 2022 heeft verweerder van [vergunninghouder] (vergunninghouder) een aanvraag ontvangen ter verkrijging van een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ op de locatie.

4. Verweerder heeft bij besluit van 9 december 2022 (het primaire besluit) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’. De omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2012 en het bestemmingsplan ‘Provenierswijk – Bentincklaan’ (het bestemmingsplan). Het betreft het realiseren van twee daktoegangen en twee dakterrassen.

5. Eisers konden zich met het primaire besluit niet verenigen en hebben daarom bezwaar ingediend tegen het primaire besluit.

6. Naar aanleiding van de bezwaren van eisers heeft de bezwaarschriftencommissie op 27 juni 2023 een hoorzitting gehouden. De bezwaarschriftencommissie heeft vervolgens op 7 juli 2023 een advies uitgebracht, waarin geadviseerd is om de bezwaren van eisers gegrond te verklaren, het primaire besluit te herroepen en opnieuw op de aanvraag te beslissen met inachtneming van het advies. De bezwaarschriftencommissie is van mening dat de dakterrassen niet in overeenstemming zijn met artikel 38.4 van het bestemmingsplan.

7. Met de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de primaire besluiten om de omgevingsvergunning te verlenen, in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard en die besluiten in stand gelaten.

Toetsingskader

8. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag voor de omgevingsvergunning is ingediend op 21 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing is bij de beoordeling.Op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

9. Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de Bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan en (d) strijd met de redelijke eisen van welstand. Deze in artikel 2.10 van de Wabo vermelde weigeringsgronden zijn limitatief en imperatief van aard. Dit betekent dat de omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de bouwactiviteit in strijd is met één of meer van de genoemde weigeringsgronden en dat de omgevingsvergunning moet worden verleend, indien geen sprake is van één van deze weigeringsgronden.

10. Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) kan medewerking worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de goede ruimtelijke ordening.

11. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer de uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3584) dat verweerder bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toekomt en dat het daarbij de betrokken belangen moet afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

12. Op grond van artikel 1.27 van de planregels wordt een dakterras omschreven als een bouwkundige voorziening op het platte dak van een gebouw dat bestaat uit een te betreden vlak, geheel of gedeeltelijk omgeven door een hekwerk zoals voorgeschreven in het Bouwbesluit 2012. Op grond van artikel 38.2 van de planregels geldt een maximum bouwhoogte van 14 meter. Op grond van artikel 38.4 van de planregels mogen gebouwen zowel met een kap als plat worden afgedekt indien de verbeelding geen duidelijkheid verschaft over de afdekking van gebouwen. Op grond van artikel 38.6 van de planregels is ten behoeve van het realiseren van een dakterras voor de daktoegang op het dak een gebouwde voorziening toegestaan, met een maximum oppervlak van 6 m² en een maximumhoogte van 2,50 meter. De minimumafstand tussen deze voorziening en de dakrand bedraagt 2,50 meter. De minimumafstand tussen het hekwerk en de dakrand bedraagt 1,5 meter, waarbij de maximumhoogte van het hekwerk 1,20 meter bedraagt. Op grond van artikel 2.4 van de planregels wordt de bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, gemeten, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Beroepsgronden eisers

Gebonden beschikking?

13. Eisers betogen dat er geen hiërarchie bestaat tussen artikel 38.4 van de planregels en artikel 38.6 van de planregels. Zij voeren hiertoe aan dat beide artikelen in het bestemmingsplan als gelijkwaardig zijn gerangschikt onder het regime ‘Algemene bouwregels’. Dit betekent volgens hen dat er geen sprake is van een gebonden beschikking en dat er een belangenafweging moet plaatsvinden om te bepalen of de overschrijding van de maximaal toegestane bouwhoogte met 40 cm is toegestaan.

14. Verweerder heeft zijn standpunt over de toepasselijke planregels na voortschrijdend inzicht gewijzigd en in het verweerschrift is erkend dat het bouwplan voor wat betreft de overschrijding van de bouwhoogte van de daktoegangen strijdig is met het bestemmingsplan. Verweerder is van mening dat aan het bouwplan toch medewerking kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2, van de Wabo in samenhang met artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Verweerder betoogt dat een afwijking van 40 cm dusdanig beperkt is dat er geen onevenredige aantasting is van het woon- en leefklimaat..

15. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van eisers. De bestreden besluiten zijn daarom in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb genomen. Het beroep is gegrond en de bestreden besluiten moeten worden vernietigd. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank bezien of aanleiding bestaat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten dan wel om zelf in de zaak te voorzien.

16. De rechtbank stelt gelet op voornoemde strijdigheid met het bestemmingsplan vast dat er geen sprake is van een gebonden beschikking. Dit betekent dat er een belangenafweging moet plaatsvinden. Verweerder heeft dit alsnog gedaan en in het verweerschrift heeft verweerder in dit kader onder meer toegelicht dat de impact van de daktoegangen op de omgeving beperkt is, omdat deze niet vanaf de straat te zien zijn, de kenmerkende gevelopzet niet wordt verstoord en de daktoegangen enkel bedoeld zijn als daktoegang en daardoor klein van formaat zijn en dus ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Om deze redenen kan stedenbouw akkoord gaan met de realisatie van de daktoegangen en kan er volgens verweerder medewerking worden verleend aan het bouwplan. Verweerder stelt dat de ruimtelijke impact dusdanig beperkt is dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. In dit kader wijst verweerder erop dat het perceel in een stedelijke omgeving ligt en dat aan wonen in een stedelijke omgeving een zekere inbreuk op privacy alsmede enige overlast inherent is en dat er geen recht op blijvend uitzicht bestaat. Dat er sprake is van zodanig verlies van bezonning door overschrijding van de bouwhoogte met 40 cm is niet aannemelijk geworden. Omdat de ruimtelijke impact van de afwijking van het bestemmingsplan zodanig beperkt is, is er volgens verweerder geen sprake van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden.

16. Gelet op de alsnog door verweerder gemaakte belangenafweging, afgezet tegen wat eisers hiertegen hebben aangevoerd, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers.

Welstand – Waarde cultuurhistorie 2

18. Eisers betogen dat er ten onrechte niet is getoetst aan de dubbelbestemming “Waarde cultuurhistorie 2”. Zij stellen dat het welstandsadvies ondeugdelijk is. Ook stellen eisers dat een Trespa dakopbouw niet past bij het pand. Eisers hebben ter onderbouwing van hun betoog een stuk overgelegd van [deskundige] (architectuurhistorica/erfgoedspecialist) van 16 juni 2023, waaruit volgens hen blijkt dat het advies van de welstandscommissie onvolledig en/of onjuist is. Zij betogen dat deze contra expertise ten onrechte niet is meegewogen in de besluitvorming en dat de cultuurhistorische waarden van het pand meegewogen hadden moeten worden.

19. Hoewel verweerder niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij verweerder zelf ligt, mag verweerder op dat advies afgaan, nadat hij is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies hoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:645).

20. De rechtbank stelt vast dat de welstandscommissie het advies van 2 november 2022 heeft onderbouwd met een aanvullend advies van 20 maart 2023. Uit het advies van 20 maart 2023 blijkt dat de welstandscommissie heeft getoetst aan de sneltoetscriteria voor dakterrassen. Dit zijn criteria met betrekking tot de plaatsing, maatvoering, vormgeving en materiaal, kleur en detaillering van het bouwplan. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de welstandscommissie ook aan de niet planmatige uitbreidingen heeft getoetst. Dit zijn criteria met betrekking tot de ruimtelijke inpassing, de verschijningsvorm en het materiaal, de kleur en detaillering van het bouwplan. Uit het advies blijkt dat er geen strijd is met de genoemde criteria. Uit het advies volgt verder dat het bouwplan een ondergeschikte en functionele toevoeging aan het hoofdgebouw betreft. Daarnaast is het bouwplan vanaf straatniveau niet of nauwelijks zichtbaar. De bestaande stedenbouwkundige structuur en architectuur worden niet aangetast. De vormgeving is eenvoudig en herkenbaar als bijgebouw. De kleur en het materiaal zijn afgestemd op de oorspronkelijke bebouwing. Daarnaast zijn de kleur en het materiaal voldoende hoogwaardig gedetailleerd.

20. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het welstandsadvies op zich deugdelijk. Verweerder mocht dan ook afgaan op het advies van de welstandscommissie.

22. De rechtbank oordeelt verder dat, in tegenstelling tot wat verweerder betoogt, het door eisers overgelegde rapport van Van Geest zich gelet op haar ervaring en achtergrond, zoals toegelicht door eisers, laat kwalificeren als een contra-expertise en zal de inhoud daarvan meenemen in de beoordeling.

23. Tijdens de zitting heeft verweerder nog een nadere toelichting gegeven op het welstandsadvies. Verweerder heeft toegelicht dat de welstandsnota geen andere criteria kent voor beeldbepalende panden, waarvan sprake is. Verweerder heeft de inhoud van de contra- expertise weersproken door erop te wijzen dat in de contra-expertise wordt uitgegaan van een onjuist toetsingskader nu alleen de Sneltoetscriteria voor dakterrassen als toetsingsgrond geldt, waarbij verwezen wordt naar de Welstandsnota Rotterdam 2012 (p. 86) (de Welstandsnota). De gebiedscriteria waar eisers en de contra-expertise naar verwijzen zijn niet van toepassing omdat de aanvraag alleen ziet op dakterrassen met daktoegang. Verweerder stelt dat in het welstandsadvies van 20 maart 2023 desondanks ook naar gebiedscriteria is gekeken en dan men zich er rekenschap van heeft gegeven dat de daktoegang terughoudend en in samenhang met het daklandschap is ontworpen, ondergeschikt van aard is en de karakteristieken van het pand niet wezenlijk verstoort. Daaruit blijkt dat de contra-expertise is meegewogen in de besluitvorming, in tegenstelling tot wat eisers stellen. In aanvulling hierop heeft verweerder nog toegelicht dat de cultuurhistorische waarden van het pand niet doorslaggevend zijn voor de vergunningverlening. Uit het advies van de welstandscommissie van 20 maart 2023 blijkt dat daar ook geen strijdigheid mee is.

24. De rechtbank oordeelt dat wat verweerder naar voren heeft gebracht juist is en dat verweerder het juiste toetsingskader heeft toegepast, te weten de Sneltoetscriteria uit de Welstandsnota, en dat verweerder afdoende heeft gemotiveerd dat het bouwplan daaraan voldoet. Voor een exceptieve toets zoals door eisers in dit kader is verzocht, bestaat geen aanleiding. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling strekt de mogelijkheid om in een procedure die is gericht tegen een besluit over de verlening van een omgevingsvergunning, de gelding van de toepasselijke bestemmingsplanregeling aan de orde te stellen, niet zover dat deze regeling aan dezelfde toetsingsmaatstaf wordt onderworpen als de toetsingsmaatstaf die wordt gehanteerd in het kader van de beoordeling van beroepen tegen een vastgesteld bestemmingsplan. Eisers voeren bovendien niet aan dat er strijd is met een hogere regeling. Eisers stellen enkel dat het niet planologisch kunnen toetsen aan cultuurhistorische waarden een schrijnende inconsistentie is met het erfgoedbeleid dat zij van een hogere beleidsmatige orde achten dan de andere bestemmingen, functies en gebruiksmogelijkheden in het bestemmingsplan. Wat eisers hebben aangevoerd, is onvoldoende om tot een exceptieve toetst te kunnen komen. De beroepsgrond ongegrond.

Beroepsgronden [eiser 1]

25. [eiser 1] heeft zijn beroepsgrond dat sprake zou zijn van een onjuiste bekendmaking in het Gemeenteblad op de zitting ingetrokken zodat deze grond geen behandeling behoeft.

Evident privaatrechtelijke belemmering?

26. [eiser 1] betoogt dat er sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering, omdat er strijd is met artikel 5:50 van het Burgerlijk Wetboek. De strijdigheid bestaat er volgens hem uit dat de afstand tussen de daktoegang/dakterras en de grenslijn minder dan twee meter is, waardoor zijn privacy wordt geschonden. Eiser voert in dit kader verder aan dat hij door de overschrijding extra verlies van uitzicht heeft en dat de overschrijding tot verlies aan bezonning zal leiden. Eiser voert verder nog aan dat de Trespa dakopbouw afbreuk doet aan het aanzicht van hun woning.

26. Op grond van vaste rechtspraak is het in beginsel niet aan de bestuursrechter om in een bestuursrechtelijke procedure een oordeel te geven over de vraag of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de realisatie van het bouwplan. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat hieraan. Dit kan anders zijn als de gestelde privaatrechtelijke belemmering een evident karakter heeft. Een privaatrechtelijke belemmering is pas evident als zonder nader onderzoek kan worden vastgesteld dat voor de uitvoering van het bouwplan de toestemming van een ander is vereist en die ander die toestemming niet geeft en niet hoeft te geven (Afdeling 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3393, r.o. 4.2). De rechtbank acht hierbij van belang dat er naar vaste rechtspraak geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Enig verlies van privacy en ruimtegevoel door het bouwplan is nu eenmaal niet volledig uit te sluiten, omdat de woningen van eisers gelegen zijn in een stedelijke omgeving (Afdeling 9 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:708, r.o. 9.1). Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. De beroepsgrond slaagt niet.Problemen aan pand door vergunningverlening?

26. [eiser 1] heeft verder nog gesteld dat er door de vergunningverlening problemen zullen ontstaan met betrekking tot ventilatie, ophoping van vocht, onderhoud en de constructie van zijn pand.

29. Voorop staat dat verweerder een aanvraag om een omgevingsvergunning moet toetsen aan het Bouwbesluit 2012. Het is vaste rechtspraak dat die toets een aannemelijkheidstoets is. Verweerder komt beoordelingsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door de aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan (zie bijvoorbeeld de uitspraak 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:112). De toetsing van de aanvraag ziet op het bouwplan en niet op andere aspecten van het pand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat is voldaan aan het Bouwbesluit 2012. Eventuele toekomstige problemen met betrekking tot ventilatie, ophoping van vocht, onderhoud en de constructie van het pand maken geen deel uit van het toetsingskader. Verweerder heeft op de zitting nog meegedeeld dat er gekeken is naar de brandveiligheid van het bouwplan en dat die in orde is bevonden.

30. De rechtbank oordeelt dat verweerder met wat er is aangevoerd, afgezet tegen wat [eiser 1] heeft gesteld, aannemelijk heeft gemaakt dat aan het Bouwbesluit is voldaan. Wat [eiser 1] heeft aangevoerd, maakt dit niet anders. Daarbij wordt overwogen dat zijn betoog enkel ziet op eventuele problemen met betrekking tot zijn pand in de toekomst. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

31. De beroepen van eisers zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank laat echter met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluiten in stand. Dit omdat verweerder het gebrek heeft hersteld door alsnog een belangenafweging te maken die naar het oordeel van de rechtbank de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten kunnen dragen.

32. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

33. De rechtbank bepaalt dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenvergoeding nu eisers in persoon hebben geprocedeerd. In dit kader wordt ten aanzien van [eiser 1] overwogen dat zijn gemachtigde weliswaar het pro forma beroepschrift heeft ingediend, maar dat de gronden van beroep zijn opgesteld door [eiser 1] zelf en dat [eiser 1] alleen op de zitting is verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Yüksel, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.M.J. Smits

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand