Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
[nummer 3] – [nummer 4]
uitspraakdatum: 12 augustus 2026
[verzoeker]
en
[verzoekster]
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.
1. De procedure
Verzoekers hebben op 28 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 29 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 4 augustus 2026.
Ter zitting van 4 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter terechtzitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoekers zijn in de financiële problemen geraakt, nadat zij nare gebeurtenissen in hun privéleven door een burn-out beiden hun baan zijn kwijtgeraakt. Verzoekers hebben extra kosten moeten maken, waardoor zij het financiële overzicht zijn verloren. Verzoeker werkt nu 32 uur per week bij een bedrijf via het UWV en stelt dat hij niet zijn volledige inkomen krijgt uitbetaald. Verzoekster heeft inmiddels een betaalde dienstbetrekking van 24 uur per week. Het inkomen van verzoekster is stabiel. Hoewel er onduidelijkheden zijn over het inkomen van verzoeker, hebben verzoekers verklaard dat het gezinsinkomen voldoende is om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand augustus 2026 is op
27 juli 2026 voldaan. Daarnaast zal een verzoek tot onderbewindstelling worden ingediend. Verzoekers hebben al een intakegesprek gehad met de beoogd beschermingsbewindvoerder. Zij hopen dat het beschermingsbewind snel wordt uitgesproken, zodat zij rust krijgen op financieel gebied en aan hun schuldenproblematiek kunnen werken. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de focus op dit moment ligt op behoud van de woning. Het schuldhulpverleningstraject zal worden opgestart. De beschermingsbewindvoerder zal op korte termijn de onduidelijkheden over het salaris van verzoeker moeten onderzoeken.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 25 juni 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 3 juli 2026 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 30 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij met hun minderjarige kinderen in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 25 juni 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers hebben inkomen uit arbeid. Hoewel er onduidelijkheid bestaat over het inkomen van verzoeker, zijn de gezinsinkomsten voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. De huur over de maand augustus 2026 is voldaan op 26 juli 2026. Verzoekers zijn bezig met een aanvraag beschermingsbewind. Zij zijn al op gesprek geweest bij de beoogd beschermingsbewindvoerder. Om de aanvraag beschermingsbewind te bespoedigen, hebben verzoekers ter zitting het formulier ten behoeve van de snelle route beschermingsbewind ingevuld. De beoogd beschermingsbewindvoerder zal met enige spoed de onduidelijkheden met betrekking tot het salaris van verzoeker dienen te onderzoeken teneinde de financiële stabiliteit te waarborgen. Verzoekers zijn zich bewust van de ernst van de situatie. Zij zijn gemotiveerd om aan hun schuldenproblematiek te werken en aanvaarden elke aangeboden hulp. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekers zwaarder te wegen dan het belang van verweerder.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 25 juni 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekers gelegen aan de [straatnaam] te ( [postcode] ) [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 29 juli 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekers de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.