Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1]- [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 augustus 2026
[verzoeker] ,
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats],
verzoeker.
1. De procedure
Verzoeker heeft op 20 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 20 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 augustus 2026.
Ter zitting van 3 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft geconstateerd dat het verzoek zich richt tegen Randstad Vastgoed Groep Vastgoedbeheer in plaats van tegen verweerster. Nu verweerster ter zitting is verschenen, is zij niet in haar belangen geschaad en leest de rechtbank het verzoekschrift als zijnde gericht tegen verweerster.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is in de financiële problemen geraakt omdat de resultaten van zijn onderneming achterbleven bij zijn verwachtingen. Inmiddels heeft verzoeker zijn onderneming uitgeschreven. Er is met spoed een Participatiewet-uitkering aangevraagd, welke uitkering inmiddels is toegekend. De huur over de maand augustus 2026 is voldaan op 31 juli 2026. Verzoeker heeft inmiddels ook huur- en zorgtoeslag aangevraagd. Deze toeslagen worden op korte termijn verwacht. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen te voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat budgetbeheer zal worden opgestart. De inkomsten zullen waarschijnlijk vanaf volgende maand door de budgetbeheerder worden ontvangen. Schuldhulpverlening heeft met verzoeker de afspraak gemaakt dat verzoeker tot het moment dat budgetbeheer is opgestart de huur zelf tijdig voldoet en ter controle een betalingsbewijs aan schuldhulpverlening zal verstrekken. De klantregisseur heeft al veel gegevens verzameld. Zodra deze gegevens compleet zijn, zal het schuldhulpverleningstraject worden opgestart. Verzoeker is zich bewust van zijn schuldenproblematiek en is gemotiveerd aan zijn schulden te werken.
3. Het verweer
Verweerster vindt het spijtig dat het zolang heeft geduurd voordat een reactie is ontvangen. Het laatste contact is in december 2025 geweest. Er is toen een betalingsregeling getroffen, die verzoeker niet is nagekomen. De huurachterstand bedraagt op dit moment
€ 6.679,80. Er is op 31 juli 2026 een betaling gedaan, zonder vermelding van de maand waarop de betaling betrekking heeft. Verweerster heeft de betaling afgeboekt op de maand juli 2026.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 april 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 8 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 21 juli 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 28 april 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker heeft inmiddels zijn bedrijfsactiviteiten beëindigd. Hij heeft inkomen uit een Participatiewet-uitkering. De huur- en toeslag is inmiddels aangevraagd. De verwachting is dat deze toeslagen op korte termijn zullen worden ontvangen. Deze inkomsten zijn voldoende om de lopende huurtermijnen van € 812,67 te voldoen. Verzoeker heeft een huurbetaling gedaan op 31 juli 2026. De rechtbank zal dit bedrag aanmerken als huurbetaling voor de maand augustus 2026. Verzoeker is zich ervan bewust dat hij de lopende huurtermijnen op tijd moet betalen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat budgetbeheer wordt opgestart. Budgetbeheer waarborgt de betaling van de lopende huurtermijnen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 28 april 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [straatnaam] te ([postcode]) [woonplaats], voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 20 juli 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.