Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2]
uitspraakdatum: 10 augustus 2026
[verzoekster] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 20 juli 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 22 juli 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 3 augustus 2026.
Ter zitting van 3 augustus 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op vandaag.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerder te verbieden overeenkomstig het bepaalde in het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 12 augustus 2025 van de rechtbank te Rotterdam tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster over te gaan.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij zich al geruime tijd geleden heeft gemeld bij schuldhulpverlening, maar dat zij niet begrijpt waarom zij niet verder wordt geholpen. Zij heeft in januari 2026 al een moratorium toegekend gekregen voor de duur van zes maanden. De advocaat van verzoekster heeft ter zitting verklaard van het eerder toegewezen moratoriumverzoek niet op de hoogte te zijn.
3. Het verweer
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. Er zijn eerder ook al betalingsregelingen getroffen, welke regelingen niet zijn nagekomen. De huurachterstand bedraagt ruim € 9.000,--. Aan verzoekster is in januari 2026 ook al een moratorium voor zes maanden toegekend. Verzoekster maakt misbruik van procesrecht. Bij de vorige zitting was schuldhulpverlening aanwezig. Er is niets meer van schuldhulpverlening vernomen.
4. De beoordeling
Vast is komen te staan dat verzoekster eerder een verzoekschrift ex artikel 284 Fw, met een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw heeft ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad (‘moratorium’). Bij vonnis van deze rechtbank van 16 januari 2026 is dit verzoek voor de duur van zes maanden toegewezen. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is in datzelfde vonnis niet-ontvankelijk verklaard.
Verzoekster heeft nu opnieuw verzocht een moratorium toe te wijzen, wederom voor de duur van zes maanden. Dit verzoek ziet op de ontruiming van dezelfde huurwoning en heeft wederom betrekking op hetzelfde proces-verbaal van de kantonrechter van 12 augustus 2025. Artikel 287b lid 5 Fw bepaalt echter dat de desbetreffende voorlopige voorziening wordt uitgesproken voor de duur van maximaal zes maanden. Door het eerder afgekondigde moratorium is deze periode inmiddels verstreken. De wet voorziet niet in een mogelijkheid om een moratorium voor meer dan zes maanden uit te spreken.
Gezien het bovenstaande wijst de rechtbank het verzoek om een moratorium af.
De rechtbank stelt ook vast dat het minnelijk traject nog in de beginstadium zit en naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond. Verzoekster zal gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van
C. van der Velde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026.