Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 18 juni 2026
[verzoeker] ,
wonende te [straatnaam] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker
1. De procedure
Verzoeker heeft op 21 mei 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 21 mei 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 11 juni 2026.
De heer A. van Gemert, werkzaam bij Gerechtsdeurwaarderskantoor Agin Timmermans, heeft namens Stichting Woonplus Schiedam (hierna: verweerster) op 26 mei 2026 een bericht aan de rechtbank verzonden en heeft hiermee laten weten dat namens verweerster niemand ter zitting zal verschijnen.
De advocaat van verzoeker heeft namens verzoeker op 8 juni 2026 en 11 juni 2026 aan de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Ter zitting van 11 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker is bekend met een psychotische stoornis, welke door stressoorzaken in extreme mate kan opspelen. Ernstig belastend in dat opzicht is dat de moeder van verzoeker in 2025 een herseninfarct heeft gekregen, wat een zware wissel trok op de gemoedstoestand van verzoeker. Het verlies van werk en het herseninfarct van zijn moeder zijn dan ook luxerende factoren geweest die voor een psychische ontregeling hebben gezorgd. Het is in die periode verzoeker niet zelfstandig gelukt om een uitkering aan te vragen of ander werk te zoeken om zijn vaste lasten te kunnen betalen. De daardoor verergerde psychische problematiek was daarbij zodanig dat verweerster zelf op 27 januari 2026 haar zorgen heeft geuit bij de huisarts van verzoeker. De huisarts heeft vervolgens nog dezelfde dag de crisisdienst ingeschakeld. Verzoeker is daarna met een crisismaatregel opgenomen bij GGZ Delfland. Op 15 mei 2026 heeft verzoeker met voorlopig ontslag de instelling van GGZ Delfland verlaten. Het voorlopig ontslag is op 28 mei 2026 omgezet in een definitief ontslag.
Verzoeker heeft naar aanleiding van zijn geestelijke toestand een verzoek tot onderbewindstelling en instelling mentorschap ingediend. Bij beschikking van 27 mei 2026 is verzoeker onder bewind gesteld en is er mentorschap ingesteld. Zijn beschermingsbewindvoerder en mentor zullen samen met zijn begeleider van GGZ Delfland verzoeker begeleiden bij de aanmelding schuldhulpverlening bij Stroomopwaarts.
Verzoeker heeft met behulp van zijn begeleider van GGZ Delfland op 24 februari 2026 een Participatiewet-uitkering aangevraagd. Verzoeker heeft naar aanleiding daarvan een voorschot op de uitkering gekregen. Daarmee heeft verzoeker de huur van april 2026 en mei 2026 voldaan. Inmiddels is de Participatiewet-uitkering toegekend en heeft verzoeker ook de huur van juni 2026 voldaan. Verzoeker heeft met zijn Participatiewet-uitkering en toeslagen van de Belastingdienst voldoende inkomsten om daarmee de huur van € 732,66 te voldoen.
3. Het verweer
Verweerster heeft in haar bericht aan de rechtbank laten weten dat zij zich zal conformeren aan het oordeel van de rechtbank.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2026 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 4 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 28 mei 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 11 maart 2026 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker ontvangt een Participatiewet-uitkering en toeslagen van de Belastingdienst. Daarmee heeft hij voldoende inkomen om de lopende huurtermijnen van € 732,66 te kunnen voldoen. Dit heeft hij aangetoond door de huur van april 2026, mei 2026 en juni 2026 tijdig en volledig te voldoen. Daarnaast staat verzoeker onder beschermingsbewind. Daarmee wordt gewaarborgd dat verzoeker de huurtermijnen blijft voldoen. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.
Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 11 maart 2026 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [straatnaam] te [woonplaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
21 mei 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.P. Pot, rechter, en in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.