RECHTBANK ROTTERDAM
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
Als derde-partij neemt aan het geding deel [persoon A] te [woonplaats] .
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/5972
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 augustus 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Zwinkels),
en
(gemachtigden: [gemachtigde] en mr. T. Visser).
Procesverloop
1. Met het bestreden besluit van 9 juni 2026 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghouder voor het vergroten van de bestaande woning aan [adres] in [plaats] met een kap, deze wordt aan de voor- en achtergevel voorzien van een dakkapel. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft een nadere reactie ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde, de gemachtigden van het college, vergezeld door mr. A.J. van der Vlist, en vergunninghouder.
Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Vergunninghouder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij bereid is de uitvoering van de bouwwerkzaamheden op te schorten totdat een besluit op het bezwaar van verzoeker is genomen. Gelet op deze toezegging is er op dit moment geen spoedeisend belang om de omgevingsvergunning zoals verzocht te schorsen in afwachting van het besluit op bezwaar. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoeker heeft aangevoerd geen reden om aan te nemen dat vergunninghouder zijn toezegging niet zal nakomen. Als vergunninghouder desondanks toch overgaat tot het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning is verleend voordat het besluit op bezwaar is genomen, dan kan verzoeker opnieuw een verzoek om voorlopige voorziening indienen. Dat de toezegging zich niet uitstrekt tot zes weken na de beslissing op bezwaar maakt, anders dan verzoeker meent, niet dat om die reden wel sprake is van een spoedeisend belang. Het gaat namelijk om de periode voordat de beslissing op bezwaar is genomen. Verzoeker krijgt het griffierecht niet terug en hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
3. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2026 door mr. J. Fransen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: