RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/721186 / JE RK 26-1140
Datum uitspraak: 30 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over toestemming wijziging verblijfplaats en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. G.E. Doelman, kantoorhoudende te Dordrecht,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F. Laros, waargenomen door [collega] , kantoorhoudende te Rotterdam,
[de oma] en [de opa],
pleegouders en grootouders van [minderjarige] , hierna te noemen de oma en de opa mz, tezamen de grootouders mz, wonende in
[woonplaats 1] ,
advocaat mr. G.E. Doelman, kantoorhoudende te Dordrecht.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 5 juni 2026, binnengekomen bij de rechtbank op 9 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
- twee vertegenwoordigers van de GI, te weten [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] ;
- de grootouders mz met hun advocaat.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij de grootouders mz.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 30 september 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 2 oktober 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 maart 2026 de machtiging verlengd [minderjarige] uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 2 oktober 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt toestemming te verlenen tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] . Daarnaast heeft de GI verzocht om een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader met gezag voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Ter zitting heeft de GI het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. [minderjarige] verblijft sinds zijn tweede bij de grootouders mz en hier gaat het goed. De GI acht het echter in het belang van [minderjarige] dat hij bij de vader wordt geplaatst. De vader heeft in 2024 deelgenomen aan het traject ‘ [naam traject] ’ van Enver en er heeft perspectiefonderzoek door William Schrikker Gezinsvormen plaatsgevonden bij de vader. De vader heeft daarbij laten zien dat hij voor [minderjarige] kan zorgen en hij heeft aangegeven graag de zorg op zich te willen nemen. Het contact tussen [minderjarige] en de vader is de afgelopen periode verder uitgebreid. Als [minderjarige] bij de vader wordt geplaatst, dan zal deze plaatsing zonder teveel wisselingen tussen de vader en de grootouders mz plaatsvinden. [minderjarige] voelt de spanningen en de onrust. Het is in het belang van [minderjarige] dat hij aan het einde van de zomervakantie bij de vader woont, zodat hij dan kan starten met zijn nieuwe school. Als er rust is gecreëerd is het belangrijk dat er afspraken worden gemaakt over de omgang met de grootouders mz, bijvoorbeeld een weekend per twee weken. De vader staat hiervoor open en vindt het belangrijk dat [minderjarige] contact blijft houden met de grootouders mz. Daarnaast is het belangrijk dat de moeder contact blijft houden met [minderjarige] . Het contact met de moeder is op dit moment begeleid. De GI wil bij de moeder opvoedondersteuning inzetten en de omgang tussen [minderjarige] en de moeder uitbreiden. Verder wil de GI de vader ondersteunen. Het is van belang dat de ouders beter met elkaar communiceren in het belang van [minderjarige] .
4. De standpunten
Door en namens de vader is ingestemd met het verzoek van de GI. De vader wil graag de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] op zich nemen en dit is in het belang van [minderjarige] . De afgelopen twee jaren heeft de vader hard aan zichzelf gewerkt en hij heeft deelgenomen aan ‘ [naam traject] ’ van Enver en het perspectiefonderzoek. Het heeft lang geduurd voordat het onderzoek kon starten. Er is gebleken dat de vader voor [minderjarige] kan zorgen. De vader ziet dat [minderjarige] het naar zijn zin heeft zowel bij de grootouders mz als bij hemzelf. De vader kan voldoende aansluiten bij [minderjarige] , heeft een stabiel netwerk en inkomen. De vader is bereid om samen te werken met de GI, de moeder en de grootouders mz. Het is belangrijk dat de GI voorlopig betrokken blijft in het kader van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, zodat het gezin kan worden gemonitord.
Namens de moeder en de grootouders mz is er verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder en de grootouders mz verzoeken om afwijzing van het verzoek. Hoewel er is onderzocht dat het perspectief van [minderjarige] bij de vader ligt en artikel 7 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (hierna IVRK) aangeeft dat het in het belang is om een kind te laten opgroeien bij zijn biologische ouders, dient er in dit specifieke geval naar het belang van [minderjarige] te worden gekeken en een zorgvuldige afweging te worden gemaakt. De consequenties van een wijziging van de verblijfplaats naar de vader zijn op dit moment te groot voor [minderjarige] . De communicatie tussen de vader en de grootouders mz verloopt stroef waardoor er zorgen zijn over het vormgeven van het contact. Verder vinden de grootouders mz het lastig dat [minderjarige] abrupt bij de vader zal worden geplaatst zonder geleidelijke overgang. [minderjarige] verblijft reeds voor een langere periode bij de grootouders mz en hij is gehecht aan zijn halfbroertje en -zusjes. [minderjarige] zou dan na de zomer in een nieuwe stad wonen, naar een nieuwe school gaan en zal als enig kind opgroeien. Dit zijn veel veranderingen in een hele korte termijn. De komende periode is de verbindingsweg tussen [woonplaats 1] en [woonplaats 2] afgesloten, waardoor het lastig wordt om [minderjarige] van en naar de grootouders mz en de vader te brengen en halen. Het contact tussen de grootouders mz en [minderjarige] wordt hierdoor bemoeilijkt. De moeder en de grootouders mz zijn bang dat [minderjarige] klem komt te zitten tussen de vader, moeder en de grootouders mz. De moeder wil graag meer contact met [minderjarige] en de moeder wordt in staat geacht om onbegeleide contactmomenten te hebben met [minderjarige] . De moeder wil uiteindelijk een grotere rol in het leven van [minderjarige] krijgen.
Ter zitting heeft de moeder aangegeven het niet eens te zijn met het verzoek van de GI. De moeder gunt [minderjarige] het allerbeste. [minderjarige] verblijft momenteel bij de grootouders mz en groeit hier op samen met zijn broertjes en zusjes. Er is sprake van een stabiele en veilige opvoedsituatie bij de grootouders mz. De moeder vindt het fijn dat zij [minderjarige] dagelijks kan zien.
Ter zitting hebben de grootouders mz een schriftelijk standpunt overgelegd en voorgelezen en dit stuk zal aan de beschikking worden gehecht.
5. De beoordeling
Op grond van artikel 1:265i van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW) behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste één jaar door een ander dan de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn of haar gezin. De toestemming wordt door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.
De kinderrechter is van oordeel dat het verzoek tot toestemming voor de wijziging in het verblijf van [minderjarige] toegewezen moet worden. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
[minderjarige] heeft een belast verleden. Toen [minderjarige] twee jaar oud was is hij bij zijn grootouders mz gaan wonen, waar zijn halfbroer en -zusjes ook verblijven. Sinds oktober 2024 loopt er een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing.
Sinds de uithuisplaatsing in 2024 hebben beide ouders aangegeven graag voor [minderjarige] te willen zorgen. Vanaf april 2025 is er een perspectiefonderzoek uitgevoerd bij de moeder. De conclusie van dit onderzoek was dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. Hierna is op 5 november 2025 een perspectiefonderzoek gestart bij de vader. Tijdens dit onderzoek is het contact tussen [minderjarige] en de vader meermaals geobserveerd en is er gesproken met de betrokken partijen en het netwerk van de vader. Er wordt gezien dat de vader goed aansluit bij de belevingswereld van [minderjarige] , een fijne woon- en leefomgeving kan bieden en [minderjarige] het fijn vindt om bij zijn vader te zijn. De vader is gelet op de conclusies van dit onderzoek in staat om de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken op zich te nemen. Op 23 april 2026 is het perspectiefonderzoek afgerond. Al eerder, in 2024, hebben er observaties plaatsgevonden die zijn begeleid door Enver. Daaruit kwamen ook geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader naar voren. Verder heeft vader de afgelopen periode gewerkt aan zijn emotieregulatie en heeft hij een traject bij De Waag hieromtrent bijna (positief) afgerond.
Helaas heeft het onderzoek naar de toekomst van [minderjarige] lang op zich laten wachten. De vraag is of het nu nog in het belang van [minderjarige] is om zijn verblijfplaats te wijzigen of dat het noodzakelijk is dat de verblijfplaats bij de grootouders mz wordt gecontinueerd. Hoewel de grootouders mz voor een langere periode voor [minderjarige] hebben gezorgd, is het naar het oordeel van de kinderrechter in het belang van [minderjarige] dat de vader de zorg- en opvoedingstaken van [minderjarige] op zich neemt. Uitgangspunt is dat kinderen opgroeien bij (één van hun) biologische ouders. Indien de biologische ouder(s) een stabiele en veilige opvoedsituatie kunnen bieden, zal het perspectief van een kind daar ook liggen. Dit zal slechts anders zijn als het belang van het kind zich ertegen verzet om (weer) bij de biologische ouder(s) te gaan wonen. Die situatie doet zich hier niet voor.
Met de GI is de kinderrechter van oordeel dat het ook in het belang van [minderjarige] is dat hij voor het einde van de zomervakantie bij de vader is geplaatst, zodat hij dan kan starten op zijn nieuwe school. [minderjarige] lijkt op dit moment last te hebben van de spanningen die de onderhavige procedure met zich meebrengt. Het is belangrijk dat de situatie voor hem snel duidelijk wordt, waarna er afspraken kunnen worden gemaakt over de omgang met de grootouders mz, zijn halfbroertje en -zusjes en de moeder.
De kinderrechter realiseert zich dat de grootouders mz voor een langere periode voor [minderjarige] hebben gezorgd. Daardoor is [minderjarige] aan hun en zij aan hem gehecht. De grootouders mz hebben een nauwe persoonlijke betrekking tot [minderjarige] in de zin van artikel 1:377a BW. Het is vanwege de spanningen rondom de onderhavige procedure nog niet mogelijk gebleken om op voorhand afspraken over de omgang te maken. Het is daarom van belang dat de GI na de plaatsing van [minderjarige] bij de vader zo snel mogelijk gaat kijken hoe een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de grootouders mz kan worden vormgegeven. Daarbij moet ook rekening gehouden worden met het contact met zijn halfbroertje en -zusjes. Daarnaast is het belangrijk dat de moeder omgang blijft houden met [minderjarige] en dat die omgang waar mogelijk wordt uitgebreid. Het is belangrijk dat de moeder stabiel blijft en beschikbaar blijft voor [minderjarige] .
De GI heeft aangegeven voornemens te zijn om een verzoek te doen om de ondertoezichtstelling te verlengen. De kinderrechter geeft de GI mee dat zij in het kader van de ondertoezichtstelling de mogelijkheid heeft om een verzoek op grond van artikel 1:265g BW in te dienen als zij dat nodig acht.
Het bovenstaande maakt dat de kinderrechter de verzoeken van de GI zal toewijzen. De kinderrechter geeft toestemming voor wijziging in het verblijf van [minderjarige] naar de vader. Omdat er een ondertoezichtstelling loopt en er (nog) geen instemming is van de moeder voor het verblijf van [minderjarige] bij de vader verleent de kinderrechter ook de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De kinderrechter benadrukt dat het voorgaande niets afdoet aan het feit dat de grootouders mz belangrijke personen zijn in het leven van [minderjarige] . Zij hebben hem liefdevol opgevangen toen de ouders daar niet toe in staat waren, hebben ervoor gezorgd dat hij zich goed heeft kunnen ontwikkelen en verdienen daarvoor een groot compliment.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering toestemming tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] naar de vader;
verleent de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader tot 2 oktober 2026;
verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2026, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.