RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/721897 / JE RK 26-1234
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 19 juni 2026, ontvangen op 22 juni 2026.
de e-mail van de vader van 14 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger] .
De vader is niet verschenen. De vader heeft voorafgaand de zitting laten weten niet te kunnen komen vanwege vakantie en heeft zijn mening per e-mail gegeven.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] .
Bij beschikking van 3 februari 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 6 februari 2027.
Bij beschikking van 24 april 2026 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd tot 3 augustus 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van vijf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek. Indien [minderjarige] eerder naar huis kan, staat de machtiging tot uithuisplaatsing daaraan niet in de weg.
4. Het standpunt van de moeder
De moeder stemt in met het verzoek. De moeder heeft [minderjarige] het liefst thuis, maar ziet dat [minderjarige] groeit en stappen zet. Dit doet de moeder goed. Het contact tussen moeder en [minderjarige] is goed en hun band is verbeterd. Moeder en [minderjarige] kunnen elkaars grenzen beter herkennen en daarop inspelen.
5. De beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
[minderjarige] verblijft bij [zorginstelling] vanwege diverse problematiek. [minderjarige] laat op de groep externaliserend gedrag zien en heeft moeite om haar emoties op een passende manier te uiten. Dit gedrag lijkt mede voort te komen uit de belasting die [minderjarige] ervaart door de strijd tussen haar ouders. [minderjarige] lijkt zich verantwoordelijk te voelen voor haar ouders, met name voor haar moeder. Hoewel [minderjarige] flinke stappen heeft gezet, is verdere behandeling bij [zorginstelling] noodzakelijk. De kinderrechter acht het van belang dat [minderjarige] vanuit een stabiele plek verder kan werken aan haar ontwikkeling en dat zorgvuldig kan worden toegewerkt naar een terugplaatsing. Alle belanghebbenden stemmen in met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter hoopt van harte dat het voor [minderjarige] gaat lukken dat haar ouders de juiste stappen vooruit zetten. In het gesprek met de kinderrechter was [minderjarige] , zoals zij dat zelf benoemde, in ieder geval heel dapper en gaf zij in feite het goede voorbeeld.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 11 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.