RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/723904 / JE RK 26-1474
Datum uitspraak: 31 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.O. Ligeon-Merton, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 24 juli 2026, ontvangen op diezelfde datum;
de aanvullende onderbouwing van de Raad, ontvangen op 27 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger 2] en [vertegenwoordiger 3] .
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. [minderjarige] was aanwezig bij de uitspraak en heeft deze dus zelf van de kinderrechter gehoord.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft op vrijwillige basis op een crisisgroep.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Sinds 2024 is sprake van een structureel onveilige opvoedsituatie. Er zijn aanhoudende zorgen over het weglopen van [minderjarige] , de conflicten tussen [minderjarige] en de moeder en het zelfbepalende gedrag van [minderjarige] . Het Crisis Interventie Team (hierna: CIT) van jeugdbescherming en de politie zijn meerdere keren betrokken geweest. Het past bij de bestaande zorgen dat [minderjarige] wisselend verklaart en nu aangeeft terug te willen naar de moeder terwijl zij eerder stellig was dat niet te willen. Daarnaast maakt de moeder zich zorgen over [minderjarige] , omdat zij vermoedt dat [minderjarige] betrokken is geraakt in een loverboycircuit. De afgelopen jaren is geprobeerd hulpverlening in te zetten. De moeder heeft aangegeven vanwege negatieve ervaringen uit het verleden moeite te hebben met het vertrouwen van hulpverlening. Intensieve Hulpverlening (hierna: IH) heeft geprobeerd afspraken met de moeder te maken. Hoewel de moeder aangaf hieraan te willen meewerken, wilde zij dit niet binnen de thuissituatie laten plaatsvinden. Hierdoor is de noodzakelijke hulpverlening om de veiligheid in de thuissituatie te waarborgen niet van de grond gekomen. [minderjarige] verblijft inmiddels een maand op vrijwillige basis op een crisisgroep. In deze periode is wederom gebleken dat de samenwerking met de moeder onvoldoende tot stand komt. Zo wilde de moeder geen kleding van [minderjarige] naar de groep brengen, waardoor [minderjarige] gedurende deze periode kleding van vriendinnen moet dragen. De komende periode is het van belang dat [minderjarige] vanuit een veilige en stabiele omgeving tot rust kan komen. Daarnaast moet zicht worden verkregen op haar sociale netwerk en dient aandacht te worden besteed aan een gezonde seksuele ontwikkeling. Ook is systemische hulpverlening nodig om de dynamiek tussen [minderjarige] en de moeder in kaart te brengen en hierin verbetering te stimuleren. [minderjarige] kan tot en met vandaag op de crisisgroep verblijven, en kan direct terecht bij [plaats 1] . Een plaatsing buiten de regio is wenselijk om de mogelijkheden tot weglopen te beperken.
4. Het standpunt van de GI
De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Het is van belang dat de samenwerking tussen de moeder en zowel IH als de GI wordt verbeterd, zodat gezamenlijk in het belang van [minderjarige] kan worden gewerkt. De moeder en [minderjarige] staan niet achter een plaatsing bij [plaats 1] . Deze plaatsing is echter bedoeld als een korte overbrugging. Over anderhalve week komt een plek beschikbaar op een meidengroep in [plaats 2] . Daar zou [minderjarige] dan terecht kunnen.
5. Het standpunt van de moeder
Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd. De thuissituatie is niet onveilig, maar de moeder heeft begeleiding nodig bij de opvoeding en begeleiding van [minderjarige] . De onenigheid tussen de moeder en [minderjarige] ziet op het stellen van grenzen, bijvoorbeeld wanneer [minderjarige] midden in de nacht naar buiten gaat. De moeder is bereid mee te werken aan de benodigde hulpverlening. Dit blijkt ook uit haar toestemming voor de vrijwillige plaatsing van [minderjarige] op de crisisgroep. De moeder staat open voor de inzet van IH, maar deze hulpverlening kan ook binnen het vrijwillig kader plaatsvinden. [minderjarige] kan terug naar huis en kan terecht bij haar opa en oma wanneer het thuis minder goed gaat. Desgevraagd heeft de moeder aangegeven dat het inderdaad juist is dat zij geen kleding heeft gebracht naar [minderjarige] .
6. De beoordeling
Voorlopige ondertoezichtstelling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Al langere tijd bestaan zorgen over de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige] in de thuissituatie. Tussen [minderjarige] en de moeder vinden regelmatig hoogoplopende escalaties plaats, waarbij de politie en het CIT meerdere keren betrokken zijn geweest. [minderjarige] heeft flinke zorgen geuit over de situatie thuis. Daarnaast bestaan zorgen over het weglopen van [minderjarige] , haar contacten met oudere mannen en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Inzet van vrijwillige hulpverlening heeft geen verandering teweeg gebracht. Vanuit een gedwongen kader moet regie worden gevoerd om zicht te krijgen op de (thuis)situatie van [minderjarige] , haar (sociale) netwerk en de hulpverlening die nodig is. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden.
Machtiging tot uithuisplaatsing
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
[minderjarige] verblijft sinds een maand op vrijwillige basis op een crisisopvang. Een terugkeer naar huis is op dit moment te kwetsbaar en niet mogelijk. Eerst moet rust en stabiliteit ontstaan en moet de benodigde hulpverlening binnen de thuissituatie worden ingezet. Van daaruit kunnen de GI en de hulpverlening onderzoeken wat [minderjarige] nodig heeft en of en onder welke voorwaarden terugkeer naar huis mogelijk is. Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van drie maanden.
De moeder heeft ter zitting aangegeven dat zij heeft meegewerkt aan de hulpverlening en dit ook zal blijven doen. IH heeft de samenwerking met de moeder tot op heden echter anders ervaren. De moeder en de hulpverlening moeten de komende periode werken aan het verbeteren van de samenwerking, zodat gezamenlijk in het belang van [minderjarige] kan en zal worden gehandeld.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 31 juli 2026 tot 31 oktober 2026;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 31 juli 2026 tot 31 oktober 2026;
verklaart de beslissing onder 7.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 11 augustus 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.