ECLI:NL:RBROT:2026:10855

ECLI:NL:RBROT:2026:10855

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 31-08-2026
Zaaknummer ROT 25/9952
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing omgevingsvergunning voor het splitsen van een woning naar drie woningen. Het beroep is gegrond vanwege een gewijzigde motivering, maar de rechtgevolgen van het vernietigde bestreden besluit blijven in stand. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 augustus 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats 1] , eiser

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, het college

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/9952

en

(gemachtigde: mr. J. Pach).

Procesverloop

1. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de omgevingsplanactiviteit bouwen, te weten het splitsen van een woning naar drie woningen op het adres [straatnaam] (het perceel) in [locatie] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 april 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 31 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn dochter [naam] en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Schiedam (omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel was voor zover relevant vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “West” van kracht (het bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Het perceel heeft voor zover relevant de bestemmingen “Wonen - 3” en “Waarde – Archeologie - C” en gebiedsaanduidingen “geluidzone” en “vrijwaringszone - molenbiotoop 400m”.

3. Eiser wil met zijn bouwplan de woning op het perceel splitsen naar drie woningen, waardoor er sprake is van gestapeld wonen. Met het primaire besluit heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor de technische bouwactiviteit en geweigerd voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. Het college heeft de omgevingsplanactiviteit bouwen afgewezen vanwege strijd met het omgevingsplan, omdat gestapeld wonen niet is toegestaan en er onvoldoende parkeerplaatsen zijn. Het college heeft geconcludeerd dat niet kan worden meegewerkt aan de aanvraag middels een buitenplanse omgevingsactiviteit, omdat splitsing van de woning niet voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Verder heeft het college eiser erop gewezen dat hij voor het uitvoeren en gebruiken van de gevraagde omgevingsvergunning beide activiteiten nodig heeft en dat hij daarnaast ook een woningvormingsvergunning op grond van de Huisvestingswet nodig heeft. Met het bestreden besluit heeft het college, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het primaire besluit gehandhaafd. In dat advies is geconcludeerd dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding is om af te wijken van de regels van het omgevingsplan, omdat het bouwplan niet in overeenstemming is met ETFAL.

4. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden zich niet richten tot de technische bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Ow.

Toetsingskader

5. In artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.

In artikel 22.26 van het Omgevingsplan gemeente Schiedam is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

In artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen wordt verleend met het oog op ETFAL.

Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met ETFAL. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht, of het voldoende is gemotiveerd en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.

Gewijzigd standpunt college parkeerbehoefte

6. Het college is ten aanzien van de parkeerbehoefte in het bestreden besluit uitgegaan van een parkeerbehoefte van 0,45. In het verweerschrift heeft het college dit standpunt gewijzigd en meegedeeld dat het verschil met de bestaande situatie naar beneden wordt afgerond, waardoor de parkeereis nul parkeerplaatsen bedraagt. Het college heeft hierbij geconcludeerd dat het bestreden besluit uitgaat van een te hoge parkeereis en dat dit op een onjuiste toepassing van de Beleidsregel berust. Het punt van de parkeerbehoefte wordt niet meer ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit dat daardoor is gewijzigd.

Deze gang van zaken leidt ertoe dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd en daardoor in strijd is met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Reeds daarom is het beroep gegrond.

Strijd met het bestemmingsplan?

7. Eiser betoogt dat het college een onjuiste uitleg en toepassing heeft gegeven aan het omgevingsplan met het standpunt dat gestapeld wonen niet is toegestaan. Volgens eiser is verder sprake van strijd met het motiveringsbeginsel en wordt de feitelijke situatie in de wijk genegeerd.

8. Het college verwijst naar artikel 22.1 van het bestemmingsplan waarin onder meer is bepaald dat het bij de bestemming Wonen - 3 gaat om wonen in de vorm van aaneengesloten woningen. In artikel 1.6 van het bestemmingsplan is bepaald dat onder ‘aaneengesloten woningen’ wordt verstaan een blok bestaande uit meer dan twee woningen waarvan het hoofdgebouw aan ten minste één zijde aan het op het aangrenzende perceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd. Dit ziet op op zogenaamde rijtjeswoningen. Uit deze definitie volgt dat gestapeld wonen, zoals weergegeven in artikel 1.44 van het bestemmingsplan, niet is toegestaan bij Wonen - 3. Daarmee is het plan van eiser in strijd met het bestemmingsplan. Dat er gestapelde woningen in de buurt aanwezig zijn, maakt dat volgens het college niet anders. Het college heeft in het verweerschrift in bezwaar toegelicht dat eengezinswoningen op deze plaats schaars zijn en dat de bestemming in het verleden is gewijzigd om te voorkomen dat de enkele resterende eengezinswoningen gestapelde woningen worden. Ook de door eiser genoemde uitspraak kan hem niet baten nu doorslaggevend is wat in het bestemmingsplan staat en niet wat daarin niet benoemd wordt. De rechtbank oordeelt dat het standpunt van het college juist is. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

Is sprake van overgangsrecht op grond van het bestemmingsplan?

9. Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op het overgangsrecht ten aanzien van gebruik zoals neergelegd in artikel 35.2 van het bestemmingsplan. Daarbij heeft eiser gewezen op de voorgeschiedenis en dat de woning werd gebruikt als drie woningen en hij betoogt dat dit gebruik nooit is veranderd en voortduurt.

10. In artikel 35.2, onder a, van het bestemmingsplan is bepaald dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) rust in beginsel op degene die een beroep doet op het overgangsrecht de plicht om aannemelijk te maken dat dit van toepassing is. Daarin is eiser niet geslaagd. Zo heeft eiser ter zitting eveneens verklaard de woning in 2021 te hebben gekocht als zijnde één woning, waarbij de onderste woonlaag reeds was verhuurd door de vorige eigenaar. Hieruit volgt dat de woning als één woning in gebruik was, in plaats van als drie woningen. Het beroep van eiser op het overgangsrecht slaagt niet.

Heeft het college de omgevingsvergunning voor buitenplanse omgevingsactiviteit kunnen weigeren?

11. Eiser betoogt dat het college een onvolledige belangenafweging heeft gemaakt. Eiser heeft gewezen op de structurele woningnood in de regio, het efficiënt gebruik van bestaande bebouwing en dat de bouwmassa of ruimtelijke impact niet wijzigt. Verder stelt eiser dat er geen rekening is gehouden met het financiële belang dat hij heeft bij het splitsen van de woning.

12. Het college heeft onder verwijzing naar de Integrale Omgevingstoets [straatnaam] verwezen naar onder andere het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad en de inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving zijn meegewogen. Het college motiveert verder dat het perceel ligt in een door het college aangewezen gebied waar de leefbaarheid al dermate onder druk staat, dat de met woningvorming gepaard gaande verdichting als onwenselijk wordt beschouwd en daarnaast dat sprake is van verschillende vormen van overlast en een gevoel van onveiligheid in de omgeving. Verder is erop gewezen dat circa 80% van de woningvoorraad uit appartementen bestaat en slechts circa 20% uit eengezinswoningen. Aan het behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad en het voorkomen van een (onaanvaardbare) inbreuk op het woon- en leefklimaat in de omgeving, heeft het college gelet op de daarmee gemoeide algemene belangen en belangen van derden een groter gewicht kunnen toekennen dan aan de financiële belangen van bezwaarmaker bij splitsing van de woning.

13. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat het geen omgevingsvergunning wil verlenen, omdat splitsing van de woning niet voldoet aan ETFAL.

Het zorgvuldigheidsbeginsel

14. Eiser betoogt dat er sprake is van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat het college geen kenbare inspanning heeft geleverd om alternatieven te zoeken, maatwerk toe te passen of oplossingen te bespreken. Daarnaast stelt eiser dat hij geen inhoudelijke reactie heeft ontvangen op een in oktober 2024 ingediend schriftelijk verzoek aan de burgemeester voor overleg en actieve medewerking.

14. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling moet het college beslissen over een bouwplan zoals dat is ingediend. Als een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, dan kan het bestaan van alternatieven alleen dan tot het onthouden van medewerking nopen, als op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Het college vindt de splitsing van de woning echter niet aanvaardbaar en was daarom niet gehouden alternatieven te onderzoeken. Het betoog van eiser dat hij geen reactie heeft ontvangen op een brief aan de burgemeester valt buiten de omvang van het geding. Van strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel is daarom niet gebleken.

16. Eiser betoogt verder dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar artikel 13 van de Nadere regels Verordening beheer woonruimtevoorraad Schiedam 2024 (de Nadere regels).

16. De rechtbank stelt vast dat de Nadere regels niet aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, zodat deze geen beoordeling behoeven. De beroepsgrond slaagt niet.

18. Gelet op het voorgaande heeft het college eisers aanvraag in redelijkheid kunnen afwijzen.

Schadevergoeding?

19. Eiser verzoekt tot slot om een schadevergoeding. Nu uit het voorgaande volgt dat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit, bestaat daartoe geen aanleiding, zodat het verzoek van eiser wordt afgewezen.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Nu verweerder het gebrek heeft hersteld met de in het verweerschrift gewijzigde motivering, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand laten. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed moeten worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van J.G. Mierop, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. T.M.J. Smits

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand