Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/121887-26
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
Datum zitting: 27 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ([geboorteland]),zonder vaste woon- of verblijfplaats,
gedetineerd in [detentiecentrum].
Advocaat van de verdachte: mr. C.E. Koopmans
Officier van justitie: mr. H.A. van Wijk
Kern van het vonnis
De rechtbank veroordeelt de verdachte voor de zogenoemde verlengde uitvoer van 10,83 kilo cocaïne tot een gevangenisstraf van 30 maanden.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte van de verlengde uitvoer van 10,83 kilogram cocaïne.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
primair
hij in of omstreeks de periode van 22 april 2026 tot en met 23 april 2026 te Hoek van
Holland, gemeente Rotterdam, en/of elders in Nederland,
opzettelijk
buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, waaronder zoals bedoeld in
artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,
ongeveer 10,83 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende
cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I
subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 22 april 2026 tot en met 23 april 2026 te Hoek van
Holland, gemeente Rotterdam, en/of elders in Nederland,
opzettelijk
heeft vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10,83 kilogram, in elk geval
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel
als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte veroordeelt voor het primair ten laste gelegde.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte op 22 april 2026 en 23 april 2026 in Hoek van Holland 10,83 kilogram cocaïne in zijn vrachtwagen heeft verstopt. Omdat de vrachtwagen onmiskenbaar op weg was naar het Verenigd Koninkrijk en al op de veerboot naar het Verenigd Koninkrijk stond, heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van die cocaïne. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom noemt de rechtbank de bewijsmiddelen hieronder, maar schrijft zij die niet uit.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van Team Bijzondere Bijstand Douane
3. Proces-verbaal van Team Bijzondere Bijstand Douane
4. Proces-verbaal van de speurhondengeleiders van de Douane
5. Proces-verbaal van Team Bijzondere Bijstand Douane
6. Deskundigenrapport van Douane Laboratorium
7. Deskundigenrapport van Douane Laboratorium
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
hij in de periode van 22 april 2026 tot en met 23 april 2026 te Hoek van Holland, gemeente Rotterdam,
opzettelijk
buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht zoals bedoeld in
artikel 1 lid 5 van de Opiumwet,
10,83 kilogram van een materiaal bevattende
cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor het feit worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van voorarrest.
Standpunt van de verdediging
Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zijn beperkte rol, zijn blanco strafblad, zijn volledige medewerking aan het onderzoek en de door hem getoonde verantwoordelijkheid en spijt, is een gematigde en (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf passend.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verlengde uitvoer van ruim tien kilo cocaïne. Hij was in de door hem bestuurde vrachtwagen op weg naar het Verenigd Koninkrijk. De uitvoer van drugs houdt de internationale drugshandel in stand, met alle daaraan verbonden negatieve effecten. Het gebruik van harddrugs werkt verslavend en is schadelijk voor de gezondheid. Daarnaast is algemeen bekend dat de internationale handel in verdovende middelen niet zelden gepaard gaat met andere vormen van criminaliteit, waaronder geweld en ondermijning van de bovenwereld. De verdachte heeft deze nadelige gevolgen van zijn handelen genegeerd en heeft uitsluitend gehandeld om er financieel beter van te worden.
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 juni 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Oplegging gevangenisstraf
Gelet op de ernst van het strafbare feit is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook houdt zij rekening met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen aldus een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank neemt in strafmatigende zin mee dat de verdachte vanaf het eerste verhoor openheid van zaken heeft gegeven, volledig heeft meegewerkt aan het onderzoek en niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Daarom legt zij een gevangenisstraf van 30 maanden op. Die straf is lager dan geëist en naar het oordeel van de rechtbank brengt zij de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking. De rechtbank ziet, mede gelet op het feit dat de verdachte in het buitenland woont, geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.
5. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.
6. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf 30 (dertig) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.
7. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. R.P.W. van de Meerakker en F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 augustus 2026.
Mr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.