Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/020825-26
Parketnummer vordering tenuitvoerlegging (TUL): 20/338968-24
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
Datum zitting: 27 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1996 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres], [postcode] [plaatsnaam],
gedetineerd in de [naam PI].
Advocaat van de verdachte: mr. B.G.M.C. Peters
Officier van justitie: mr. H. Balk
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]
Advocaat van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]: mr. S.S.S. Mahadew
Kern van het vonnis
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de heling van een vrachtauto, omdat niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat hij op het moment waarop hij de vrachtwagen verkreeg, wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die was verkregen door een misdrijf. Ook volgt vrijspraak voor de diefstal van een trailer, omdat niet met de wettelijk vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat hij een trailer heeft weggenomen met het oogmerk om zich die trailer wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank veroordeelt de verdachte voor diefstal met braak van een andere trailer met inhoud. Zij legt hem een gevangenisstraf op van 204 dagen met aftrek van voorarrest. De rechtbank legt de bij eerder arrest opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf niet ten uitvoer, maar verlengt de proeftijd daarvan met één jaar. De benadeelde partijen zijn niet ontvankelijk in hun vorderingen omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het daaraan ten grondslag liggende feit.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte – samengevat – van heling van een vrachtwagen (feit 1) en diefstal – in één geval door middel van braak – van twee trailers met inhoud (feit 2 en 3).
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1.
hij op of omstreeks 19 januari 2026 te Barendrecht, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een vrachtauto (kenteken [kenteken 1]), althans een goed heeft verworven,
voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden
krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
2.
hij op of omstreeks 19 januari 2026 te Barendrecht,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een trailer met inhoud (kenteken [kenteken 2]), in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [aangever], in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn
mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft
en/of dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht
door middel van braak en/of verbreking;
3.
hij op of omstreeks 19 januari 2026 te Ridderkerk,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een trailer met inhoud (kenteken [kenteken 3]), in elk geval enig goed, dat/die geheel
of ten dele aan [bedrijf 2], in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2. Bewijs en vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte veroordeelt voor alle feiten. Het standpunt van de officier van justitie zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle feiten. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 en feit 3
De rechtbank stelt vast dat de verdachte in de vroege ochtend van 19 januari 2026 aanwezig is geweest bij het ophalen van een vrachtauto en twee trailers. De eigenaren van die vrachtauto en trailers hebben aangifte van diefstal gedaan. De verdachte heeft vanaf het eerste verhoor bij de politie op 19 januari 2026 tot op de zitting verklaard dat hij die nacht werd opgehaald om te gaan werken, specifieker om groente en fruit te gaan ophalen. De verdachte ontkent te hebben geweten dat de vrachtauto gestolen werd/was en hij had evenmin door dat de trailers werden gestolen. Hij ontkent in aanvulling daarop enig aandeel te hebben gehad bij het wegnemen van de vrachtwagen en/of de trailers.
Feit 1 (heling van een vrachtauto)
Voor een strafbare heling (feit 1) moet de rechtbank met de wettelijk vereiste mate van zekerheid kunnen vaststellen dat de verdachte op het moment van verkrijgen van een goed wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit door een misdrijf was verkregen. De rechtbank ziet in dit geval onvoldoende concrete aanwijzingen dat de verdachte op dat moment die kennis had of dat redelijkerwijs had moeten vermoeden. De verdachte werd weliswaar in de nacht thuis opgehaald voor een werkopdracht van en met onbekenden, maar dit type werk vindt ook buiten reguliere kantooruren plaats. Ondanks vraagtekens die een dergelijke gang van zaken ook bij de rechtbank oproept, is dit onvoldoende om reeds hierdoor tot een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling te kunnen komen. De verdachte en de andere aanwezigen betraden het terrein waar de vrachtauto is weggenomen bovendien door zich te melden bij de reguliere toegang. Daardoor betreft het uiteindelijk geen situatie waardoor de verdachte had moeten weten of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er – kort gezegd – een ontvreemde vrachtwagen werd opgehaald. Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte voor feit 1 vrijspreken.
Feit 3 (diefstal door middel van braak van trailer [kenteken 3])
De verdachte was (ook), nadat de vrachtwagen was opgehaald, aanwezig op het moment dat de trailer werd weggenomen. Hoewel dit opnieuw en extra vragen oproept, is ook dit (net) onvoldoende om te komen tot wettig en overtuigend bewijs van het medeplegen van de diefstal. Voor een strafbare diefstal (feit 3) moet de rechtbank met een afdoende mate van zekerheid kunnen vaststellen dat de verdachte, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, het goed weg heeft genomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. De rechtbank ziet in het dossier onvoldoende feiten en omstandigheden waaruit een dergelijk oogmerk uiteindelijk kan blijken, waardoor zijverdachte ook van feit 3 vrijspreekt.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen feit 2 (diefstal door middel van braak van trailer [kenteken 2])
Bewezen is dat de verdachte tezamen en in vereniging op 19 januari 2026 een trailer met inhoud heeft gestolen en dat zij die door middel van braak onder hun bereik hebben gebracht. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
De bewezenverklaring van feit 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik ben de hele nacht bij en in de vrachtauto geweest samen met Dave. Op een bepaald moment was [naam ] er ook. Wij hebben de container aangekoppeld en meegenomen.
2. Proces-verbaal van aangifte door [aangever] Ik doe aangifte van diefstal van een trailer van mijn vrachtwagen ([kenteken 2]) te Barendrecht. Eerder is uit de trailer lading weggenomen. Daarna hebben we de vrachtwagen van mijn chauffeur voor de achterdeuren van de container gezet zodat deze niet konden worden geopend. Daarna hebben we een bedrijfsauto voor de trailer gezet zodat deze niet zomaar kon worden aangekoppeld aan een andere vrachtwagen. De bedrijfsauto betreft een Renault Kangoo voorzien van het kenteken [kenteken 4]. Wij hebben de situatie zo achtergelaten op zondag 18 januari 2026 omstreeks 01.30 uur.
Op 19 januari 2026 omstreeks 07.40 uur kwam mijn chauffeur bij de trailer. Hij trof daar zijn vrachtwagen aan op de plek waar hij die had geparkeerd maar de container die ervoor stond was weg. Ook zag hij dat onze eerder genoemde bedrijfsauto was verplaatst. Hij zag dat de ruit aan de bestuurderszijde was vernield. Er lag glas in de auto en ook op de weg op de plaats waar deze was geparkeerd. Echter stond de auto een meter of 10 verderop in de straat. Ik denk daarom dat degene die de trailer heeft gestolen eerst de bus heeft weggeduwd. Diegene moest daarvoor de handrem van de bus eraf halen en kon dit doen door de ruit te vernielen.
3. Proces-verbaal van bevindingen, verbalisanten ter plaatse
Mij werd op een mobiele telefoon een app getoond waarop een trackingsysteem stond waarop de gehele route was te zien die door de vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] was gereden. Op deze app was te zien dat deze vrachtwagen op de Lubeck te Barendrecht heeft stil gestaan op maandag 19-01-2026 tussen de tijdstippen 03:35 en 03:45.
4. Proces-verbaal van bevindingen, camerabeelden
Ik bekeek de camerabeelden afkomstig vanuit de gestolen vrachtwagen. (…) Ik zag dat er voorbij de zeecontainer een witte bestelauto stond van het merk Renault. (…) Ik zag dat de vrachtwagen achteruit reed. Ik zag dat de vrachtwagen recht tegenover de witte bestelauto stopte. Ik zag dat het kenteken van de witte bestelauto [kenteken 4] was.
Bewijsmotivering feit 2 (diefstal door middel van braak van trailer ([kenteken 2]))
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen wetenschap had van het feit dat het wegnemen van de trailer een diefstal betrof. De verdachte heeft verklaard dat als hij dit had geweten, hij nooit was meegegaan.
Om tot een bewezenverklaring van diefstal met braak te kunnen komen, moet de rechtbank vaststellen dat de verdachte de trailer – al dan niet in vereniging met een of meer anderen - heeft weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Uit de aangifte van [aangever] volgt dat de Renault Kangoo was geplaatst voor de trailer, zodat die trailer niet kon worden weggenomen. Van die Renault Kangoo is een ruit vernield, waarna deze bestelauto is verplaatst. De verdachte heeft verklaard de hele nacht bij en in de vrachtauto te zijn gebleven. Uit de camerabeelden uit die vrachtwagen leidt de rechtbank af dat de vrachtauto waarin verdachte zich bevond langs de Renault Kangoo is gereden die op dat moment nog dicht voor de trailer stond. Het kan niet anders zijn dat in het tijdbestek van 10 minuten dat die vrachtauto stil stond op de Lubeck de ruit van de bestelauto is ingeslagen en dat de bestelauto is verplaatst, zodat de trailer kon worden aangekoppeld en (aldus) weggenomen. Gelet op deze korte tijdspanne, het geluid dat het inslaan van een autoruit moet hebben veroorzaakt en de direct daaropvolgende verplaatsing van de Renault Kangoo, kan het niet anders dan dat verdachte heeft bemerkt dat de bestelauto werd opengebroken en verplaatst om de trailer te kunnen wegnemen. Verdachte heeft vervolgens zelf de trailer aan de vrachtwagen gekoppeld en is weer in de vrachtwagen gestapt en gebleven toen daarmee met de trailer werd weggereden. Daarmee heeft hij een wezenlijke bijdrage geleverd aan de gezamenlijke uitvoering van de diefstal met braak. De verklaring van de verdachte dat hij die Renault Kangoo niet heeft gezien, en dus ook niet heeft gemerkt/gehoord dat er een ruit werd vernield en aansluitend de bestelauto werd verplaatst, acht de rechtbank ongeloofwaardig.
De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met een of meer anderen de trailer heeft gestolen door middel van braak.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 2
hij op 19 januari 2026 te Barendrecht, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
een trailer met inhoud (kenteken [kenteken 2]), die geheel of ten dele aan [bedrijf 1] en/of [aangever] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om die trailer met inhoud wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader(s) dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
Feit 2
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Strafbaarheid van het feit en van de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden met aftrek van voorarrest.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal door twee of meer verenigde personen, door middel van braak. Verdachte heeft daarmee blijk gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen. Daarnaast heeft hij ook schade en hinder voor de gedupeerde veroorzaakt.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder al vaker onherroepelijk tot gevangenisstraffen is veroordeeld voor soortgelijke vermogensmisdrijven. Het strafblad van de verdachte leidt dus tot een duidelijk hogere straf.
Reclasseringsadvies
Uit het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 5 mei 2026 volgt dat het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Wegens de vele justitiële interventies in de afgelopen jaren twijfelt de reclassering over de effectiviteit van het (opnieuw) inzetten van (soortgelijke) interventies. De reclassering adviseert hem een laatste kans te geven. Bij een veroordeling adviseert zij een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, contactverbod, dagbesteding, aflossen van schulden en het beheersen van middelengebruik.
Oplegging gevangenisstraf
Gelet op de ernst van het strafbare feiten het strafblad van de verdachte is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in min of meer vergelijkbare soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De eerdere veroordelingen maken echter dat de op te leggen straf duidelijk hoger moet zijn om verdachte duidelijk te maken dat hij moet stoppen met criminaliteit.
Daarom wordt een gevangenisstraf van 204 dagen opgelegd. Vanwege de forse recidive en omdat aan de verdachte reeds bijzondere voorwaarden zijn opgelegd bij een eerdere straf, ziet de rechtbank geen reden om (ook) van deze straf een deel voorwaardelijk op te leggen.
5. Vordering van de benadeelde partijen
Vorderingen
[benadeelde partij 1] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 4.489,65 als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 2] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 12.750,- als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[benadeelde partij 3] heeft als benadeelde partij voor feit 1 € 13.184,- als vergoeding voor materiële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de ingediende vorderingen, omdat de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop zij betrekking heeft.
6. Vordering tot tenuitvoerlegging
Vordering
De officier van justitie heeft voorafgaand aan de zitting een vordering ingediend tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van drie maanden, omdat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan strafbare feiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen. De proeftijd moet worden verlengd met één jaar.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen en subsidiair dat de proeftijd kan worden verlengd met één jaar.
Oordeel van de rechtbank
Het bewezen feit is tijdens de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het feit heeft de verdachte zich niet gehouden aan de aan het arrest verbonden algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen. De rechtbank ziet toch af van de tenuitvoerlegging, omdat de aan de proeftijd verbonden voorwaarden nog niet (voldoende) waren opgestart om daarmee het beoogde resultaat te (kunnen) behalen. De vordering wordt dus afgewezen. De rechtbank zal wel de proeftijd van die eerder opgelegde straf verlengen met één jaar.
7. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.
8. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte feit 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 204 (tweehonderdvier) dagen;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorlopige hechtenis
aangezien de opgelegde gevangenisstraf gelijk is aan het tot vandaag ondergane voorarrest heft de rechtbank de voorlopige hechtenis op;
Tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf (parketnummer 20-001790-24)
verlengt de proeftijd van de bij arrest van 26 november 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 (één) jaar;
wijst de gevorderde tenuitvoerlegging af;
Vorderingen benadeelde partijen
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1);
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering (feit 1).
9. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. R.P.W. van de Meerakker en F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 augustus 2026.
Mr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.