Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/122039-26
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
Datum zitting: 27 juli 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1963 in [geboorteland],
ingeschreven op het adres:
[adres], [postcode] te [plaatsnaam],
gedetineerd in de [naam PI].
Advocaat van de verdachte: mr. M.J.R. van Walsem
Officier van justitie: mr. H.A. van Wijk
Kern van het vonnis
De rechtbank veroordeelt de verdachte voor het verkopen van cocaïne en heroïne en het voorhanden hebben van hennep(toppen) en een vuurwapen met bijbehorende munitie. De straf is een gevangenisstraf van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaar, met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank verklaart het inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – 22,3 gram cocaïne en 7,5 gram heroïne heeft verkocht en 39,38 en/of 3.572,44 gram hennep(toppen) en een vuurwapen (categorie III) met munitie voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1.
hij omstreeks de periode van 18 april 2026 tot en met 23 april 2026 te Rotterdam
opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of
afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
ongeveer 22,3 gram, in elk geval een (handels- en/of gebruikers-)hoeveelheid van
een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld
in de bij de Opiumwet behorende lijst I en/of
ongeveer 7,5 gram, in elk geval een (handels- en/of gebruikers-) hoeveelheid van
een materiaal bevattende heroïne,
zijnde heroïne, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2.
hij op 23 april 2026 te Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 39,38 gram en/of 3572,44 gram hennep en/of henneptoppen,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hennep,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3.
hij op 23 april 2026 te Rotterdam,
een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III,
onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen, van het merk: MAB, model: C, kaliber: 7.65 MM,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en/of
(voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4º, gelet op artikel
2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie,
te weten 7 kogelpatronen van het kaliber: 7.65 mm,
voorhanden heeft gehad.
2. Bewijs
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte veroordeelt voor de feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak voor de feiten 1 en 2. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte harddrugs heeft verkocht en softdrugs en een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden heeft gehad. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
Feit 3 (bezit van wapen met bijbehorende munitie)
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom noemt de rechtbank voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder, maar schrijft zij die niet uit.
1. Verklaring van de verdachte
2. Proces-verbaal van bevindingen van de politie, aantreffen wapen
3. Proces-verbaal van de politie, onderzoek wapen
Feit 1 en 2 (verkoop van harddrugs en bezit van softdrugs)
De bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Verklaring van de verdachte
Ik heb cocaïne en heroïne verkocht. Ik verkocht dat één week voordat ik werd aangehouden. Iemand heeft mij de zakken met hennep gegeven.
2. Proces-verbaal van bevindingen van de politie
Op 23 april 2026 troffen wij in de woning op de [adres] aan: een gripzakje met wit poeder (vermoedelijk cocaïne), gripzakjes met wit en bruin poeder (vermoedelijk cocaïne en heroïne), koffiefilters met witte brokjes (vermoedelijk cocaïne), twee plastic zakjes met wit poeder en een plastic zakje met bruin poeder.
Ook troffen wij een ingetaped lang voorwerp aan. Wij roken een stevige henneplucht van het voorwerp afkomen. (…) Ik zag in de slaapkamer een zwarte vuilniszak staan, welke rook naar hennep. Ik zag dat de vuilniszak gevuld was met resten van hennepplanten, met hieraan nog enkele toppen.
Op het politiebureau woog ik de inbeslaggenomen verdovende middelen. De totale hoeveelheid van de verschillende verdovende middelen bleken te betreffen:- Hennep (uit langwerpig voorwerp uit rugzak), totale hoeveelheid 39,38 gram netto.- Henneptoppen en afval, totale hoeveelheid 3572,44 gram netto.
3. Proces-verbaal van de politie, onderzoek verdovende middelen
SIN/UVN: AASZ4915NL
Object omschrijving: Twee koffiefilters met daarin witte brokken
SIN/UVN: AASZ4917NL
Object omschrijving: Een plastic zakje met daarin bruin poeder en brokjes
SIN/UVN: AASZ4916NL
Object omschrijving: Drie gripzakjes met daarin bruin poeder en brokjes
SIN/UVN: AASZ4913NL
Object omschrijving: Elf gripzakjes met daarin wit poeder en brokjes
SIN/UVN: AASZ4914NL
Object omschrijving: Twee plastic zakjes met daarin wit poeder en brokjes
4. Deskundigenverslag
AASZ4913NL bevat cocaïne.
5. Deskundigenverslag
AASZ4914NL bevat cocaïne.
6. Deskundigenverslag
AASZ4915NL bevat cocaïne.
7. Deskundigenverslag
AASZ4916NL bevat heroïne.
8. Deskundigenverslag
AASZ4917NL bevat heroïne.
9. Proces-verbaal van verhoor getuige
Ik heb net (20 april 2026) drugs gekocht op de [adres]. Ik heb hier 4 zakjes crack gekocht voor 40 euro. Ik koop hier de laatste paar dagen mijn drugs. De man die hier woont heet [verdachte].
10. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte]
De politie was vandaag, 23 april 2026, bezig met een mogelijke drugspand aan de [adres]. Er is gezien dat u uit het gebouw kwam waar ook het hiervoor genoemd huisnummer is gevestigd. De politie heeft gezien dat u op [huisnummer] heeft aangebeld in de [straatnaam]. Dat klopt. Daar worden drugs verkocht. Ik heb daar drugs gekocht. Ik ben vandaag aangekomen. Ik ben 2 keer daar geweest om drugs te kopen. Ik heb 1 gram heroïne en 2 zakjes crack gekocht.
Bewijsmotivering
Feit 1 (verkoop van cocaïne en heroïne)
De verdediging heeft partiële vrijspraak bepleit ten aanzien van de pleegperiode van de verkoop van harddrugs en zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank oordeelt als volgt. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij voor ongeveer voor de duur van één week voor zijn aanhouding harddrugs heeft verkocht. Omdat de verdachte op 23 april 2026 is aangehouden én het begin van de ten laste gelegde periode binnen één week valt, acht de rechtbank de volledige periode bewezen.
Feit 2 (voorhanden hebben van hennep(toppen))
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het voorhanden hebben van hennep(toppen), omdat enig onderzoek naar de verdovende middelen ontbreekt en daardoor niet kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk om hennep gaat. Uit het proces-verbaal van aantreffen blijkt dat de verbalisanten een (stevige) henneplucht hebben waargenomen bij het ingetapete voorwerp en de zwarte vuilniszak. Daarin zaten hennep en delen van hennepplanten. . De rechtbank is van oordeel dat bij verbalisanten de deskundigheid om hennep te herkennen verondersteld mag worden. Ten aanzien van de waarneming van de verbalisant in deze zaak, is er bovendien geen enkele aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen daarover is geverbaliseerd. De verdachte verklaart zelf ook dat het om hennep ging. De rechtbank verwerpt het verweer en acht het opzettelijk bezit van de hennep(toppen) bewezen.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1.
hij in de periode van 18 april 2026 tot en met 23 april 2026 te Rotterdam
opzettelijk
heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt,
een gebruikershoeveelheid van
een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld
in de bij de Opiumwet behorende lijst I en
een gebruikershoeveelheid van
een materiaal bevattende heroïne,
zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I;
2.
hij op 23 april 2026 te Rotterdam,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 39,38 gram en/of 3572,44 gram hennep en/of henneptoppen,
in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hennep
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
3.
hij op 23 april 2026 te Rotterdam,
een wapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie III,
onder 1 van de Wet wapens en munitie,
te weten een vuurwapen, van het merk: MAB, model: C, kaliber: 7.65 MM,
zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool
en
voor dit vuurwapen geschikte munitie in de zin van art. 1 onder 4º, gelet op artikel
2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie,
te weten 7 kogelpatronen van het kaliber: 7.65 mm,
voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 2
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 3
de eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de reeds in voorarrest doorgebrachte periode, een passende straf is. De hulpvraag van de verdachte dient zwaarder te wegen dan de strafrechtelijke reactie.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de verkoop van cocaïne en heroïne vanuit zijn woning. Verdachte is daardoor medeverantwoordelijk voor de nadelige effecten die het gebruik van harddrugs veroorzaken. Cocaïne en heroïne werken sterk verslavend en zijn zeer schadelijk voor de gezondheid. Daarnaast gaat het dealen van drugs vanuit een woning gepaard met veel overlast en tast het zo de leefbaarheid aan in de buurt. Ook heeft de verdachte een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van een dergelijk vuurwapen, zeker in combinatie met de handel in harddrugs, kan tot levensgevaarlijke situaties leiden.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 juni 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, maar niet voor feiten als deze.
Rapport van de reclassering
Uit het rapport van Reclassering Nederland (hierna: de reclassering) van 17 juli 2026 blijkt dat de verdachte een licht verstandelijke beperking heeft en dat hij beperkt probleembesef heeft. Een eerder reclasseringstoezicht verliep over het algemeen goed. De Wmo--indicatie voor woonbegeleiding en dagbesteding is gestopt, waardoor de dagbesteding is weggevallen. De reclassering acht begeleiding noodzakelijk en adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, dagbesteding, beheersing van middelengebruik, ambulante begeleiding en een verplichting tot het inspannen van vinden en behouden van huisvesting.
Oplegging gevangenisstraf
Gelet op aard en ernst van de bewezen verklaarde strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een andere soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook houdt zij rekening met de LOVS-oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen aldus een vertrekpunt bij het bepalen van de straf. De rechtbank acht, alles overziend, een gevangenisstraf van acht maanden passend.
Uit het advies van de reclassering volgt dat begeleiding noodzakelijk is. Het is van belang dat een adequate begeleiding, na het wegvallen van de begeleiding in het kader van de Wmo, weer wordt opgezet. Om te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt, legt de rechtbank van de 8 maanden gevangenisstraf een fors deel van vijf maanden voorwaardelijk op onder de voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De proeftijd is bepaald op drie jaar vanwege de ernst van de problemen en de persoon van de verdachte: hij zal (die) langere tijd begeleiding nodig hebben
5. In beslag genomen voorwerpen
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het inbeslaggenomen geld verbeurd moet worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het inbeslaggenomen geldbedrag moet worden teruggeven. Subsidiair is aangevoerd dat een deel van het geldbedrag moet worden teruggegeven aan de bewindvoerder, omdat de verdachte 150 euro had ontvangen voor de aanschaf van een nieuwe koelkast.
Oordeel van de rechtbank
Verbeurdverklaring
Als bijkomende straf voor feit 1 wordt het in beslag genomen contante geld (€ 630,00) verbeurd verklaard. Hierbij houdt de rechtbank rekening met de draagkracht van de verdachte. Het geldbedrag is vatbaar voor verbeurdverklaring omdat het door middel van de verkoop van harddrugs is verkregen. Het gezamenlijk aantreffen van de voorraad drugs en het geld vormt hier een sterke aanwijzing voor.
De verdachte twijfelde ter zitting over het precieze bedrag dat hij zou hebben ontvangen van zijn bewindvoerder en heeft dit standpunt op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Terwijl een dergelijke betaling toch op eenvoudige wijze door navraag bij de bewindvoerder onderbouwd had kunnen worden. Conclusie is dat het gehele inbeslaggenomen geldbedrag verbeurd wordt verklaard.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 8 (acht) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat 5 (vijf) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte een van de onderstaande voorwaarden niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
stelt als bijzondere voorwaarden dat:
geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden. Hierbij gelden als voorwaarden dat de verdachte:
In beslag genomen voorwerpen
- verklaart het geldbedrag van € 630,00 ([proces-verbaalnummer 1]) verbeurd voor feit 1.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. R.P.W. van de Meerakker en F. van Laanen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 10 augustus 2026.
Mr. F. van Laanen is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.