RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoeksche Waard
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/3517
en
(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing door het college van het verzoek van eiser om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding, het tuinhuis en de pergola. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 9 december 2024 heeft eiser het college verzocht om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding, het tuinhuis en de pergola op de percelen aan de [straatnaam 1] in [locatie] .
Met het besluit van 22 januari 2025 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van eiser om handhavend op te treden afgewezen.
Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard, onder aanvulling van de motivering met betrekking tot de pergola.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft schriftelijk nadere reacties ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft het college op 9 december 2024 verzocht om handhavend op te treden tegen de erfafscheiding, het tuinhuis en de pergola op de percelen aan de [straatnaam 1] in [locatie] . Eiser woont aan de [straatnaam 2] .
Met het primaire besluit heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen. Voor wat betreft het verzoek om handhaving met betrekking tot de erfafscheiding en het tuinhuis heeft het college het verzoek afgewezen op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) omdat het een herhaalde aanvraag is. Eiser heeft al twee keer eerder verzocht om handhaving met betrekking tot deze bouwwerken en er is geen sprake van een relevante wijziging van het recht. Voor wat betreft het verzoek om handhaving met betrekking tot de pergola heeft het college het verzoek afgewezen omdat de pergola vergunningsvrij is zodat er geen sprake is van een overtreding.
Met het bestreden besluit heeft het college, in navolging van het advies van de ambtelijke hoorcommissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard met de nadere motivering dat de pergola ook vergunningsvrij is voor wat betreft de technische bouwactiviteit op grond van artikel 2.26 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (het Bbl).
Toetsingskader
4. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (de Ow) in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Ter plaatse van het perceel geldt het Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op de percelen waren vóór 1 januari 2024 de bestemmingsplannen “Buitensluis” en “Torensteepolder 2015” van kracht. Deze bestemmingsplannen maken dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
5. Eiser betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het college heeft de motivering in bezwaar gewijzigd. Zo is het college pas in bezwaar ingegaan op de technische bouwactiviteit voor wat betreft de pergola.
Bij een besluit op bezwaar kan het bestuursorgaan, in het kader van de heroverweging op grond van artikel 7:11 van de de Awb, de motivering van het in bezwaar bestreden besluit wijzigen of aanvullen, indien de uitkomst van dat besluit wordt gehandhaafd. Artikel 7:11 van de Awb biedt dus de grondslag voor de aanvulling van de motivering door het college. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om te reageren op het verweer in bezwaar. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser nog een schriftelijke reactie heeft gegeven op het verweer in bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank is het college met het bestreden besluit, onder verwijzing naar het advies van de ambtelijke hoorcommissie, voldoende ingegaan op het bezwaar en de nadere reactie van eiser. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. De beroepsgrond slaagt niet.
De erfafscheiding en het tuinhuis
6. Eiser stelt dat het college zijn handhavingsverzoek niet had kunnen afwijzen op grond van artikel 4:6 van de Awb. Door de inwerkingtreding van de Ow is er sprake van nieuwe feiten en omstandigheden. Volgens eiser had het college een vergelijking moeten maken tussen het oude en het nieuwe recht. Verder betoogt eiser dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld door het handhavingsverzoek met betrekking tot de pergola wel inhoudelijk te beoordelen en het handhavingsverzoek met betrekking tot de erfafscheiding en het tuinhuis niet.
Het college stelt dat het verzoek moet worden beschouwd als een herhaalde aanvraag in de zin van artikel 4:6 van de Awb, omdat eiser eerder twee handhavingsverzoeken heeft ingediend voor wat betreft het tuinhuis en de erfafscheiding waarop al een besluit is genomen. Het college stelt dat er geen sprake is van nieuw feiten of omstandigheden omdat de inwerkingtreding van de Ow geen relevante wijziging van het recht. Weliswaar is de toepasselijke wetgeving door de inwerkingtreding van de Ow gewijzigd, maar deze wijziging raakt niet de planologische afweging die het college dient te volgen bij een verzoek om handhaving. Ook is er volgens het college geen sprake van evidente onredelijkheid.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat wanneer een bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, toetst of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
Als naar het oordeel van de bestuursrechter het bestuursorgaan terecht meent dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, kan dat de afwijzing van de aanvraag in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd echter tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag evident onredelijk is.
Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat met de inwerkingtreding van de Ow geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het handhavingsverzoek onder de Ow in zoverre geen andere relevante beoordeling van het college vergt dan de eerdere. Op grond van artikel 2, aanhef en onder 3 en 12, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (het Bor) waren beide bouwwerken vergunningsvrij. De inhoud hiervan is onder de Ow overgenomen in artikel 22.27, aanhef en onder a en f, van het omgevingsplan. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2012 kan hem niet baten, omdat het in deze uitspraak ging om een planologische afweging die het college moest maken bij de aanvraag om een omgevingsvergunning en dat is hier niet het geval.
In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank ook geen aanleiding voor het oordeel dat afwijzing van de herhaalde aanvraag evident onredelijk is. Voor zover eiser daaraan ten grondslag legt dat de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2020 evident onjuist is, merkt de rechtbank op dat deze onherroepelijke uitspraak niet kan worden aangevochten via deze procedure. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het college heeft toegelicht dat eiser nog niet eerder een handhavingsverzoek voor wat betreft de pergola heeft ingediend en dat daarom dat deel van het handhavingsverzoek wel inhoudelijk is beoordeeld. Dit is door eiser niet weersproken en maakt dat er geen sprake is van vergelijkbare situaties. De beroepsgrond slaagt niet.
De pergola
7. Eiser stelt dat de pergola in strijd is met artikel 6.2 van het bestemmingsplan “Torensteepolder 2015”, omdat het perceel alleen mag worden bebouwd en ingericht ten behoeve van de functie ’Tuin’. Volgens eiser is de pergola niet vergunningsvrij omdat de pergola niet kan worden aangemerkt als tuinmeubilair in de zin van artikel 2.29, onder h, van het Bbl. Daarbij voert eiser aan dat meubilair in het normale spraakgebruik de definitie heeft van (stuk) huisraad of een samenstel van meubels, dat wordt beschouwd als roerend en verplaatsbaar. De pergola voldoet daar niet aan, omdat de pergola hoger is dan 1 meter, duurzaam is geplaatst, onlosmakelijk is verbonden met de grond en geplaatst is op een ander perceel dan de woning.
De rechtbank stelt vast dat in het Bbl geen definitie is opgenomen van het begrip “tuinmeubilair”. Dat was ook niet het geval in het Besluit omgevingsrecht (het Bor). Uit de nota van toelichting bij het Bor volgt dat bij tuinmeubilair gedacht zou kunnen worden aan onder meer een pergola. Dit wordt ook bevestigd in de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2025. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de pergola onder de definitie “tuinmeubilair” uit artikel 2.29, aanhef en onder h, van het Bbl valt en dat er om die reden geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken is vereist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich verder terecht op het standpunt gesteld dat er op grond van artikel 2.26, eerste lid, van het Bbl ook geen omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit is vereist omdat het een bouwwerk zonder dak betreft dat niet hoger is dan 5 meter.
Nu er voor de pergola voor zowel de omgevingsplanactiviteit als de technische bouwactiviteit geen omgevingsvergunning nodig is, is er geen sprake van een overtreding. Dat betekent dat het college dus geen bevoegdheid heeft om handhavend op te treden. Het college heeft terecht geweigerd om handhavend op te treden tegen de pergola. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:6
1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.
Artikel 7:11
1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.
2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.
Besluit bouwwerken leefomgeving
Artikel 2.26. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen bouwactiviteit: bouwwerken zonder dak)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, geldt voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk:
a. hoger is dan 5 m;
(…).
Artikel 2.29. (vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten met betrekking tot bouwwerken)
Onverminderd regels in het omgevingsplan over het in stand houden van een bouwwerk die betrekking hebben op de ernstige ontsiering van het uiterlijk van dat bouwwerk, geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op een van de volgende bouwwerken:
(…)
h. tuinmeubilair, als dat niet hoger is dan 2,5 m;
(…).
Besluit omgevingsrecht
Bijlage II
Artikel 2
Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:
(…)
3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
(…)
12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:
(…).
Omgevingsplan gemeente Hoeksche Waard
Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing
Het verbod, bedoeld in artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:
a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
(…)
f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
(…).
Bestemmingsplan Torensteepolder 2015
Artikel 6
Bouwregels
Ten aanzien van de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd tot een hoogte van 1 m.