Rechtbank Rotterdam Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10/362578-24
Datum uitspraak: 24 augustus 2026
Datum zitting: 10 augustus 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats],
ingeschreven op het adres:
[adres 1], [postcode] te [plaatsnaam].
Advocaat van de verdachte: mr. R.S. Boonstra
Officier van justitie: mr. N. van Manen
Benadeelde partijen: [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]
Gemachtigde van de benadeelde partijen: mr. S. van der Linden
Kern van het vonnis
De rechtbank veroordeelt de verdachte voor het in vereniging tot ontploffing brengen van een Cobra 6 bij de woning van zijn ex-partner en -schoonmoeder en het daarbij vernielen van een ruit Ook veroordeelt zij de verdachte voor het bedreigen van zijn ex-partner. Hij wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Ook wordt hem een 38v-maatregel opgelegd, die inhoudt dat hij een contactverbod heeft met zijn ex-partner en ex-schoonmoeder. De verdachte wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde dwang. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.
1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij – samengevat – een Cobra 6 bij de woning van zijn ex-partner en ex-schoonmoeder tot ontploffing heeft gebracht en daarbij een ruit heeft vernield, zijn ex-partner heeft bedreigd en haar heeft gedwongen iets te doen.
De volledige tenlastelegging houdt in dat
1.hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk zwaar vuurwerk (model cobra6) tegen/nabij de woning gelegen aan [adres delict 1] te plaatsen/gooienen te ontsteken en tot ontploffing te brengen,terwijl daarvan- gemeen gevaar voor voornoemde woning en de in die woning aanwezig goederenen de naastgelegen/omringende woningen/panden en de daarin aanwezigegoederen en/of- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te wetende aanwezige personen in voornoemde woning en/of de aanwezige personen in denaastgelegen/omringende woningen/pandente duchten was;
2.hij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Rotterdam,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleenopzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of tendele aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander toebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
3.hij in of omstreeks de periode van 3 juli 2024 tot en met 8 juli 2024 te Rotterdam,althans in Nederland,[slachtoffer 2] heeft bedreigdmet enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:- “je gaat dood” en/of- “ik steek je dood” en/of- “durf hier naartoe te komen ik sla je dood” en/of- “je krijgt een pan op je hoofd van de derde verdieping” en/of- “ik ga der nu alles aan doen om jou pijn te zien leiden”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
4.hij op of omstreeks 8 juli 2024 te Rotterdam,althans in Nederland,een ander, te weten [slachtoffer 2],door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enigeandere feitelijkheid gericht tegen die anderwederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te wetenhet voorhanden hebben van foto’s van die [slachtoffer 2],door te dreigen dat die [slachtoffer 2] enig geldbedrag aan hem moet betalen.
2. Bewijs en vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1, 2 en 3. De verdachte moet worden vrijgesproken van feit 4 en het onderdeel ‘levensgevaar en/of zwaar lichamelijk letsel’ bij feit 1.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1, 2 en 4. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Het standpunt van de verdediging zal, voor zover van belang, bij de beoordeling van het bewijs worden besproken.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 4
De beschuldiging is niet bewezen. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn eerder tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit oordeel niet verder zal motiveren.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte samen met een medeverdachte een Cobra 6 tot ontploffing heeft gebracht bij de woning van zijn ex-partner en ex-schoonmoeder en dat hij daarbij een ruit heeft vernield, en dat hij zijn ex-partner heeft bedreigd. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.4.
Feit 3
De bewezenverklaring van feit 3 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft het feit bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
De rechtbank spreekt de verdachte voor de ten laste gelegde onderdelen ‘ik steek je dood’, ‘durf hier naartoe te komen ik sla je dood’ en ‘je krijgt een pan op je hoofd van de derde verdieping’ vrij, omdat uit het dossier volgt dat hij niet de verzender van deze berichten is, maar dat deze teksten aan hem zijn gestuurd.
1. Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 1]
2. Proces-verbaal van bevindingen, onderzoek aan telefoon [aangeefster 1]
3. Verklaring van de verdachte
Feiten 1 en 2
De bewezenverklaring van feiten 1 en 2 is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
1. Proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 2]Ik doe aangifte van vernieling van mijn slaapkamerraam op 4 oktober 2024 omstreeks 04.11 uur in Rotterdam. Ik sliep in mijn slaapkamer en hoorde een harde knal. Ik keek naar buiten en zag dat de achtertuin vol rook stond. Ik zag glas op de grond liggen en zag dat het bovenste raampje kapot was. Ik zag rook in de tuin.
2. Proces-verbaal van bevindingen, onderzoek explosieven
Op 4 oktober 2024 werd ik om 04.12 uur naar de [adres delict 2] gestuurd. Aldaar zou een ruit zijn vernield door middel van een explosief. Op bovenstaande dag, omstreeks 04.17 uur, kwam ik ter plaatse bij het hierboven genoemde adres, zijde Prinsenlaan. Dit betrof de achterzijde van de woning. De woning betreft een benedenwoning in een portiekflat van vier woonlagen. Tevens is er een achtertuin bij de woning aanwezig.
Ik zag er in de achtertuin een zwart cilindervormig in de tuin lag met het opschrift COBRA 6. Ik rook brandlucht. Tevens zag ik dat er een raam van een boven lichtje was gebroken. Ik zag dat er in de tuin allerlei glasscherven lagen. Ik zag dat er achter het gebroken raam een bed stond. Ik zag dat er op dit bed ook allerlei scherven lagen.
Ik hoorde de bewoonster verklaren dat zij zojuist op dit bed had liggen slapen toen zij wekker werd van een enorm harde knal. (..)
Het Team Explosieve Verkenning heeft onderzoek verricht naar de explosieven. Ik hoorde hen verklaren dat er één Cobra was ontploft en dat de tweede Cobra wel was aangestoken maar niet was ontploft.
3. Proces-verbaal van bevindingen, verbalisanten ter plaatse
Op vrijdag 4 oktober 2024, zijn wij verbalisanten, ter plaatse gegaan naar de [adres delict 1], om in gesprek te gaan met de [aangeefster 2]. In de woning waren verder de vriend van [aangeefster 2] aanwezig en haar dochter [naam 1]. Desgevraagd verklaarde [aangeefster 2] aan ons het volgende. Mijn dochter [naam 1] heeft anderhalf jaar een relatie gehad met een jongen. Deze jongen heet [verdachte]. (…) Twee weken geleden kwam [naam 1], [verdachte] tegen bij het metrostation
Prinsenlaan. Toen zei [verdachte] tegen [naam 1] dat hij haar moeder plat zou gaan maken.”(…)
[naam 1] verklaarde aan ons het volgende: "Vannacht werd ik wakker van een harde klap. (…) Ik heb ongeveer anderhalf jaar een relatie gehad met [verdachte]. (…) Ongeveer drie maanden terug is de
relatie geëindigd. Hierna is er best wel veel gebeurd. Elke keer als ik hem tegen kom dan gebeurt er wel iets. Laatst liep ik vanaf de metro naar huis toe en toen begon hij mij te bedreigen. Een andere keer dat ik hem tegenkwam schold hij mij uit voor kanker hoer. Hij heeft ook berichten gestuurd dat hij de ruiten gaat ingooien van onze woning. Ik durf niet meer door mijn wijk heen te lopen omdat ik bang ben dat ik [verdachte] tegen kom.”
4. Proces-verbaal van bevindingen, onderzoek belgegevens verdachte
Ik, verbalisant, onderzocht de telefoon van [verdachte]. Ik zag dat er op 4 oktober 2024 om 04:10 uur de telefoon verbinding had gemaakt met het netwerk met 'SSId' (Service Set IDentifier), de gegeven naam van een routernetwerk, [naam netwerk]. Ik zag dat de BSSID (Basic Service Set Identifier), unieke cijferreeks van een routernetwerk, was genaamd [nummer ]. Ik zag dat er een locatie inzichtelijk was om 02:10 uur (UTC+0) met coördinaten ([coördinaat 1], [coördinaat 2]), gekoppeld aan de voorgenoemde BSSID. Het is verbalisant onbekend gebleven waarom de tijdsaanduiding niet in UTC+2 (04:10 uur) was vermeld. Ik zag dat deze coördinaten overeenkwamen met een locatie vlakbij de woning van het slachtoffer, aan de [adres delict 1].
(…)Ik stelde een onderzoek in naar de netwerk router met SSid [naam netwerk]. Politiefunctionaris [naam 2] en ik, verbalisant, namen telefonisch contact op met de moeder van de aangeefster, welke ook woonachtig is aan de [adres delict 1]
(…). Zij verklaarde dat de naam van hun WiFi [naam netwerk] genaamd was.
5. Proces-verbaal van bevindingen, onderzoek belgegevens verdachte
Ik, verbalisant, onderzocht de telefoon die onder [medeverdachte] in beslag was genomen. Ik zag dat de telefoon op 4 oktober 2024 verschillende posities aangegeven door Global Positioning System (GPS) stonden in de nachtelijke uren.
01:44:23 - 02:31:23 Kelloggplaats
02:10:45 Alexandriestraat
02:14:04 Kelloggplaats
02:37:23 - 03:12:23 Kleine beer/Watermanweg
03:19:23 - 03:47:23 [straatnaam 1]
03:53:23 - 03:57:23 Prinsenlaan ([coördinaat 3], [coördinaat 4])
04:18:23 - 04:50:23 Vinckenbrickstraat
04:58:23 - 05:43:23 [straatnaam 1]
05:03:18 [straatnaam 1]
05:50:23- 15:26:23 [straatnaam 2]
De woning van [verdachte] is gelegen aan de [straatnaam 1]. De woning van [medeverdachte] is geleden aan de [straatnaam 2]. De woning van de aangeefster is gelegen aan de [adres delict 1] met de tuin aan de achterzijde. De locatie [coördinaat 3], [coördinaat 4] straalt uit op de Prinsenlaan aan de
achterzijde van de woningen [straatnaam 3] ter hoogte van [adres 2].
6. Verklaring van de verdachte
Het klopt dat ik de hele nacht met [medeverdachte] was.
7. Proces-verbaal van verhoor [getuige]
Op 9 oktober 2024 kwam ik [verdachte] tegen bij de metro. (…) Ik had de politie aan de telefoon. [verdachte] riep "BOEM BOEM TUIN" naar mij. Ik zei tegen de collega van de meldkamer. Hoorde je dat? Ik hoorde dat de collega van de meldkamer dit ook hoorde.
8. Proces-verbaal van bevindingen, medewerker meldkamer
Ik beluisterde de gehele bandopname van de 112 melding van het gesprek tussen [benadeelde partij 2] en de politiemedewerker.
(…)
Ik hoorde:
Stem in achtergrond: "Boem"
Stemmen in achtergrond: gelach
Stem in achtergrond: "Boem"
[naam 1]: "Je zegt boem dus je... Ok. Hij zegt boem."
Politiemedewerker: "Ja ik hoorde het ja"
Bewijsmotivering feit 1 en 2
De verdediging heeft vrijspraak van de feiten 1 en 2 bepleit. De verdachte ontkent een Cobra 6 bij de woning aan de [adres delict 1] te hebben geplaatst en op basis van het dossier kan niet kan worden uitgesloten dat iemand anders de Cobra’s heeft geplaatst.
De rechtbank stelt vast dat op 4 oktober 2024 rond 04.11 uur een explosie heeft plaatsgevonden bij de [adres delict 1]. Het slaapkamerraam van aangeefster [benadeelde partij 1] is daarbij vernield. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat dit werd veroorzaakt door het tot ontploffing brengen van een Cobra 6. Een tweede Cobra 6 is wel aangestoken, maar niet tot ontploffing gekomen.
Aan de rechtbank ligt de vraag voor of verdachte degene is geweest die, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander, de Cobra’s heeft aangestoken en (een daarvan) tot ontploffing heeft gebracht. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit onderzoek van de telefoon van verdachte blijkt dat zijn telefoon op 4 oktober 2024 om 04.10 uur verbinding heeft gemaakte met het Wifi-netwerk van het adres [adres delict 1], het adres van aangeefster. Uit de gegevens van de telefoon van [medeverdachte], medeverdachte in deze zaak, blijkt dat hij zich tussen 03:53:23 en 03:57:23 uur aan de Prinsenlaan bevond, ter hoogte van de achterzijde van de woning van aangeefster. De verdachte heeft verklaard dat hij de hele nacht met [medeverdachte] is geweest. Dit betekent dat de verdachte en [medeverdachte] rond het moment van de ontploffing samen bij de woning van aangeefster aanwezig waren.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte in de buurt woont en dat hij die betreffende nacht door de buurt aan het fietsen was, en dat de aanwezigheid dus niet belastend kan worden geacht. De verdachte heeft uiteenlopend verklaard over de gebeurtenissen in de nacht van 4 oktober 2024. In het eerste verhoor bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij de betreffende nacht thuis heeft gegamed en geslapen. Op het moment dat hij later door de politie werd geconfronteerd met de camerabeelden, verklaarde de verdachte die nacht te hebben geblowd met [medeverdachte]. Bij het tweede verhoor bij de politie is de verdachte geconfronteerd met het feit dat zijn telefoon verbonden is geweest met de Wifi van de woning van aangeefster. Hierop heeft hij eerst verklaard dat dat niet mogelijk is. Een korte tijd daarna herinnerde de verdachte zich ‘plots’ dat hij bij [naam 3] is geweest, die in de flat verblijft en dat hij om die reden in de buurt was en zijn telefoon om die reden met de router contact heeft kunnen maken. Wie deze persoon is, heeft verdachte echter niet verklaard en evenmin is door de verdediging verzocht deze persoon te horen. Op de zitting verklaarde de verdachte weer anders, namelijk dat hij op een bankje in de buurt van het huis van zijn ex-vriendin en haar moeder heeft rondgehangen, maar dat hij van een explosie niets gemerkt heeft. De rechtbank is van oordeel dat deze telkens wisselende verklaringen van verdachte onbetrouwbaar en daarmee onaannemelijk zijn.
De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte] op 4 oktober 2024 een Cobra 6 tot ontploffing heeft laten komen en daarmee het slaapkamerraam heeft vernield. De rechtbank acht in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, redengevend voor het bewijs.
Uit de onder feit 3 bewezenverklaarde bedreigingen en uit de verklaringen van [aangeefster 1] en [aangeefster 2] over de opstelling van verdachte nadat de relatie was beëindigd volgt dat de verdachte wrok koesterde jegens [aangeefster 1]. Tegen die achtergrond vond op 4 oktober 2024 omstreeks 04.11 uur een ontploffing plaats in de achtertuin van de woning waarin onder anderen [aangeefster 1] zich bevond. Daarbij is een Cobra 6 tot ontploffing gebracht.
De telefoon van verdachte maakte op het moment van de explosie verbinding met het Wifi-netwerk van de woning waar de explosie plaatsvond. Uit de GPS-gegevens van de telefoon van [medeverdachte] blijkt bovendien dat die telefoon zich rond datzelfde tijdstip aan de Prinsenlaan bevond, op een locatie die direct grenst aan de achtertuin van de plaats delict. Deze beide gegevens staan niet op zichzelf. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de hele nacht samen met [medeverdachte] was. De objectieve locatiegegevens en de verklaring van de verdachte plaatsen hen samen in de onmiddellijke nabijheid van de plaats delict, juist op het moment waarop daar de Cobra 6 tot ontploffing is gebracht.
Voor deze voor het bewijs redengevende samenloop van omstandigheden heeft verdachte geen redelijke, de redengevenheid daarvan ontzenuwende verklaring gegeven. Daar komt bij dat verdachte enige dagen na de ontploffing in de metro in de richting van [aangeefster 1] de uitspraak ‘boem boem tuin’ heeft gedaan. Deze uitspraak past bij en ondersteunt de overige aanwijzingen voor de betrokkenheid van verdachte bij de explosie.
De rechtbank acht deze combinatie van feiten en omstandigheden te specifiek en te nauw in plaats en tijd met de explosie verbonden om op toeval te kunnen berusten. Zij concludeert dat het niet anders kan dan dat de aanwezigheid van de verdachte en [medeverdachte] bij de woning verband hield met het tot ontploffing brengen van de Cobra 6 en dat zij daarbij gezamenlijk hebben gehandeld.
Dat de precieze rol van de verdachte bij de explosie niet kan worden vastgesteld, staat – in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging is aangevoerd – een bewezenverklaring niet in de weg. Omdat de verdachte en [medeverdachte] voorafgaand en na de ontploffing samen zijn geweest, kan het niet anders zijn dan dat zij tezamen en in vereniging hebben gehandeld.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging een ontploffing teweeg heeft gebracht en aldus een ruit heeft vernield. Het ten laste gelegde levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander (feit 1) is niet bewezen. De verdachte wordt van dat onderdeel dus vrijgesproken. De officier van justitie en de verdediging zijn tot dezelfde conclusie gekomen, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
Feit 1
hij op 4 oktober 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een stuk zwaar vuurwerk (model cobra 6) tegen/nabij de woning gelegen aan [adres delict 1] te plaatsen/gooien
en te ontsteken en tot ontploffing te brengen,
terwijl daarvan gemeen gevaar voor voornoemde woning en de in die woning aanwezige goederen te duchten was;
Feit 2
hij op 4 oktober 2024 te Rotterdam,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk en wederrechtelijk een ruit die aan [slachtoffer 1] toebehoorde, heeft vernield;
Feit 3
hij in de periode van 3 juli 2024 tot en met 8 juli 2024 te Rotterdam,
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,
door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- “ je gaat dood” en
- “ ik ga der nu alles aan doen om jou pijn te zien leiden”.
3. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren het volgende strafbare feit de volgende strafbare feiten op:
Feiten 1 en 2:
eendaadse samenloop van:
medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
en
medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
Feit 3
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
en
bedreiging met zware mishandeling.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4. Straf
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten 1, 2 en 3 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden met aftrek, en een 38v-maatregel met een contactverbod voor [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] voor de duur van twee jaar, met veertien dagen hechtenis per overtreding daarvan.
Standpunt van de verdediging
Het is niet opportuun om de verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf te laten uitzitten. De verdachte heeft zich sinds het schorsen van de voorlopige hechtenis ingezet om zijn leven te beteren. Sindsdien is de verdachte niet meer in aanraking gekomen met politie of justitie. De verdediging verzoekt de rechtbank om te volstaan met een straf gelijk aan voorarrest en een voorwaardelijke straf, dan wel aan te vullen met een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zijn ex-partner bedreigd met de dood en zware mishandeling. Door het handelen van de verdachte heeft hij gevoelens van angst bij het slachtoffer veroorzaakt en verergerd. Helaas is het niet bij bedreigingen gebleven. De verdachte heeft ook nog, samen met een vriend, een ontploffing teweeg gebracht bij de woning van zijn ex-partner en ex-schoonmoeder, waardoor ook een raam vernield is. Dit omdat de verdachte kennelijk zijn ex-partner na het verbreken van hun relatie niet met rust kon laten. Ontploffingen als deze zijn uiterst bedreigend, en bij een woning in de nachtelijke uren in een nog sterkere mate. Hoewel de materiële schade beperkt is gebleven, zijn de gevolgen voor de slachtoffers enorm, hetgeen ook duidelijk is geworden uit de slachtofferverklaringen die zijn voorgelezen ter zitting. De ex-schoonmoeder van de verdachte was ten tijde van de ontploffing zwanger en heeft zich genoodzaakt gezien te verhuizen omdat zij bang was dat haar dochter of haar ongeboren kind iets zou overkomen. De ex-partner van de verdachte kampt nog altijd met angstgevoelens en vertrouwt mensen minder snel. De verdachte heeft zich niet bekommerd om de ernstige gevoelens van angst die de ontploffing heeft veroorzaakt of versterkt. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 23 juli 2026 blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor niet-soortgelijke strafbare feiten. Het strafblad leidt dus niet tot een hogere straf.
Rapport van de reclassering
De Verslavingsreclassering Fivoor heeft op 24 december 2025 een advies opgesteld. Hieruit blijkt dat het schorsingstoezicht goed verloopt. De verdachte heeft gedurende het schorsingstoezicht behandeling gevolgd bij Fivoor, welke behandeling in de afrondende fase is. De gestelde behandeldoelen zijn behaald. De reclassering ziet geen aanleiding om te adviseren om aan de verdachte bij een veroordeling nog bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank heeft – in het voordeel van verdachte – acht geslagen op dit rapport.
Oplegging straf en maatregel
Straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten en het feit dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. De verdachte ontkent dat hij iets met de ontploffing en de vernieling te maken heeft gehad. De verdachte wijst op negatieve aspecten van zijn ex-partner, haar moeder en stiefvader zonder hierbij naar zijn eigen gedrag te kijken. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank verder rekening met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van achttien maanden opgelegd. Van deze gevangenisstraf worden zes maanden voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Vrijheidsbeperkende maatregel (38v Wetboek van Strafrecht)
Om nieuwe strafbare feiten te voorkomen, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar. Deze maatregel verbiedt de verdachte contact op te nemen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. Voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet, kan vervangende hechtenis worden toegepast van veertien dagen met een totale duur van maximaal zes maanden. De hechtenis heft de verplichtingen op grond van de maatregel niet op.
5. Vordering van de benadeelde partijen
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde partij 1]
heeft als benadeelde partij voor feiten 1 en 2 € 3.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
[benadeelde partij 2]
heeft als benadeelde partij voor feiten 1, 2 en 3 € 3.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De verdachte moet hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van deze schade.
Standpunt van de officier van justitie
De gevorderde schadevergoedingen moeten worden gematigd. De in de vordering aangehaalde uitspraken zien op situaties waar door de ontploffing sprake was van levensgevaar en dat is in het onderhavige geval niet aan de orde. Ook komt [benadeelde partij 2] in aanmerking voor een hogere schadevergoeding, nu zij ook is bedreigd. De gematigde vordering kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partij dient te worden gematigd naar een bedrag van € 1.500,-. De onderbouwing van beide vorderingen is gebaseerd op de situatie waarin sprake was van levensgevaar ten gevolge van de explosie, en daar is geen sprake van. Ook wordt in de vorderingen aangehaald dat [benadeelde partij 2] van school heeft moeten wisselen en dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] door het voorval (eerder dan gepland) zijn verhuisd. De noodzaak van zowel de schoolwisseling als de verhuizing, blijkt niet dus er is geen causaal verband. Die omstandigheden kunnen dus niet als verhogende factor worden meegewogen.
Oordeel van de rechtbank
[benadeelde partij 1]
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 1 en 2 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in zijn persoon aangetast. De verdachte had namelijk het oogmerk om immaterieel nadeel toe te brengen aan de benadeelde partij.
Die schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
[benadeelde partij 2]
De benadeelde partij heeft als gevolg van de strafbare feiten onder 1, 2 en 3 rechtstreeks immateriële schade geleden. De benadeelde partij is namelijk op andere wijze in zijn persoon aangetast. De verdachte had namelijk het oogmerk om immaterieel nadeel toe te brengen aan de benadeelde partij.
Die schade wordt naar billijkheid vastgesteld op € 2.500,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt. Hoewel de schadevergoeding gestoeld is op drie feiten – in tegenstelling tot twee feiten bij [benadeelde partij 1] – ziet de rechtbank geen aanleiding hen een lager bedrag toe te wijzen. De gevolgen zijn zowel voor [benadeelde partij 2] als voor [benadeelde partij 1] ernstig geweest. Verder is bij de begroting rekening gehouden met bedragen die door rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De vordering wordt tot dit bedrag toegewezen. Het resterende deel van de vordering wordt afgewezen. Dit betekent dat de verdachte een bedrag van € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade aan de benadeelde partij moet betalen.
Hoofdelijke veroordeling
De verdachte heeft strafbare feiten waarvoor de schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader gepleegd. Zij zijn daarom beiden hoofdelijk aansprakelijk voor deze schadevergoeding. Als de mededader de schadevergoeding (voor een deel) heeft betaald, hoeft de verdachte (dat deel) niet meer aan de benadeelde partij te betalen.
Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024.
De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en die zij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vorderingen van de benadeelde partijen (grotendeels) worden toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel (als bedoeld in artikel 36f Sr) op ten aanzien van beide benadeelde partijen. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partijen. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 50 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
6. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 47, 55, 57, 157, 285 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte feit 4 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf en maatregel
Gevangenisstraf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Voorwaardelijk strafdeel
bepaalt dat de 6 (zes) maanden van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
Vrijheidsbeperkende maatregel (art. 38v Sr)
legt de verdachte voor feit 3 op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van 2 jaar, inhoudende dat de verdachte:
1. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum 2] 2008, gedurende 2 (twee) jaar na het onherroepelijk worden van dit vonnis;
2. op geen enkele wijze direct of indirect contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 3] 1985, gedurende 2 (twee) na het onherroepelijk worden van dit vonnis;
bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste zes maanden;
Vorderingen benadeelde partijen
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 2] (feiten 1, 2 en 3), te betalen een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit de vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte hoofdelijk met zijn mededader, aan de [benadeelde partij 1] (feiten 1 en 2), te betalen een bedrag van € 2.500,-, bestaande uit de vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling. Als en voor zover er al door (een) andere mededader (deels) is betaald, wordt de verdachte (in zoverre) van die betalingsverplichting bevrijd;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partijen gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
wijst af het door de benadeelde partijen meer of anders gevorderde;
legt aan de verdachte voor de feiten 1, 2 en 3 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 2] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
legt aan de verdachte voor de feiten 1 en 2 de maatregel tot schadevergoeding op, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de [benadeelde partij 1] aan de staat € 2.500,- te betalen, en de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van maximaal 25 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en/of zijn mededader de schade aan de benadeelde partij of aan de staat hebben vergoed.
8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
en mrs. R.P.W. van de Meerakker en M.S. Polet, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.M. Turfboer, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 24 augustus 2026.
Mr. M.S. Polet is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.