[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Goeree-Overflakkee
(gemachtigden: mr. J. Kooijman en [naam] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de verlening van een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruik van douches en toiletten in de landbouwschuur ten behoeve van de camping tot 1 oktober 2024.
Op 19 april 2023 heeft eiser voor zijn camping aan de [straatnaam] in [locatie 1] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van toiletten in een landbouwschuur voor de duur van twee jaar totdat een nieuw toiletgebouw is gerealiseerd. Met het besluit van 4 juli 2023 (het primaire besluit) heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen.
Met het bestreden besluit 1 van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld.
Met het bestreden besluit 2 van 30 juli 2024 heeft het college onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht alsnog een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van de douches en toiletten in de landbouwschuur ten behoeve van de camping tot 1 oktober 2024.
Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Ontwikkelingen na het bestreden besluit 2
2. Naar aanleiding van het bestreden besluit 2 heeft eiser de rechtbank desverzocht bij brief van 4 september 2024 meegedeeld dat hij zijn beroep niet intrekt omdat hij het niet eens is met de looptijd van de verleende tijdelijke omgevingsvergunning.
3. Eiser heeft in de tussentijd een omgevingsvergunning aangevraagd voor het herbestemmen van de gronden van de camping waardoor de landbouwschuur de functieaanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – toiletgebouw’ krijgt en het toiletgebouw niet langer in strijd is met de planregels van het bestemmingsplan “ [locatie 2] ”. Eiser heeft op zitting meegedeeld dat hij de omgevingsvergunning voor het herbestemmen van de gronden van de camping net voor de zitting heeft ontvangen.
Procesbelang
4. Tussen partijen is niet in geschil dat het procesbelang van eiser is komen te vervallen. Door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het herbestemmen van de gronden van de camping, is het gebruik van de toiletten en douches in de landbouwschuur niet langer in strijd met de planregels. De rechtbank zal het beroep van eiser daarom niet-ontvankelijk verklaren.
5. Het college stelt in dit kader dat het procesbelang van eiser al vóór de zitting is komen te vervallen. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het college in het verweerschrift weliswaar heeft toegelicht dat het positief had beslist op de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het herbestemmen van de gronden van de camping, maar eiser heeft pas na ontvangst van die omgevingsvergunning, net vóór de zitting, kennis kunnen nemen van de inhoud daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is het procesbelang van eiser daarmee pas ter zitting komen te vervallen. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om het college te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt de zaak dus niet inhoudelijk. Het college moet wel het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Uit het bestreden besluit 2 volgt dat eiser al een proceskostenvergoeding heeft ontvangen voor de bezwaarprocedure en voor het indienen van het beroepschrift. Deze proceskosten zal de rechtbank dan ook niet meenemen. De proceskostenvergoeding zien dus nog slechts op de deelname van de gemachtigde van eiser aan de zitting en deze bedraagt € 907,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 907,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M.J. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.S.Y. Verweij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 augustus 2026.
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.