RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6261
(gemachtigde: mr. S.M.J. Iqbal),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie of een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen deze aanvraag terecht afgewezen. De kinderen van eiseres gingen niet naar de kinderopvang. De bedragen die eiseres aan kinderopvangtoeslag ontving, waren zo hoog, dat zij zich had moeten afvragen of zij daar wel recht op had. Dat eiseres heeft vertrouwd op haar boekhouder, blijft voor haar eigen risico. De Dienst Toeslagen mocht in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 12 januari 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie of O/GS-tegemoetkoming afgewezen op grond van de Wht.
Met het besluit van 7 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 12 januari 2023 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep behandeld op de zitting van 9 juli 2026. Hieraan heeft de gemachtigde van de Dienst Toeslagen deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie of een O/GS-tegemoetkoming op grond van de Wht. Met het besluit van 26 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen het forfaitaire bedrag van € 30.000,- aan eiseres toegekend op grond van artikel 2.7 van de Wht. Na de zogenoemde integrale beoordeling heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie of een O/GS-tegemoetkoming afgewezen. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
Compensatie
4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie ten onrechte heeft afgewezen. Zij is opgelicht door haar boekhouder, die daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld. Hij heeft met haar DigiD-gegevens kinderopvangtoeslag aangevraagd, zonder dat zij daar recht op had. De Dienst Toeslagen had moeten nagaan of eiseres de beschikkingen begreep: eiseres kwam uit [land] en sprak geen Nederlands. Als de Dienst Toeslagen eerder onderzoek had gedaan naar de fraude, had eiseres minder hoeven terugbetalen. Eiseres doet een beroep op de hardheidsregeling als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De Dienst Toeslagen kent op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen, of de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard die voortkomen uit de hardheid van de toepassing die werd gegeven aan het wettelijke systeem. De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres zo, dat zij bedoelt dat de ernstige onregelmatigheid dat haar kinderen niet naar de kinderopvang zijn geweest, niet aan haar toerekenbaar is, gelet op de beweerde door de boekhouder gepleegde identiteitsfraude. Tussen partijen is niet in geschil dat de Dienst Toeslagen in de toeslagjaren 2012 en 2013 vooringenomen heeft gehandeld door geen herinneringsbrief te sturen na een verzoek om informatie. Een beroep op de hardheidsregeling van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wht, kan eiseres niet baten als sprake is van een toerekenbare ernstige onregelmatigheid in de zin van artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om compensatie terecht afgewezen. De ernstige onregelmatigheid dat de kinderen van eiseres niet naar een kinderopvang zijn geweest, is wel aan haar toerekenbaar. Ondanks een uitdrukkelijk verzoek daartoe van de rechtbank, heeft eiseres het vonnis waaruit zou blijken dat haar boekhouder strafrechtelijk is veroordeeld, niet overgelegd. Uit het dossier volgt dat de kinderopvangtoeslag is betaald op een rekeningnummer van eiseres. Op 17 juli 2012 heeft eiseres € 12.368,- aan kinderopvangtoeslag ontvangen en vanaf december 2012 ontving zij zeven maanden lang € 2.326,- per maand aan kinderopvangtoeslag. Deze bedragen zijn zo hoog dat eiseres zich had moeten afvragen of zij daarop wel recht had. Dat zij heeft vertrouwd op de mededeling van haar boekhouder dat het een soort kinderbijslag betrof, blijft voor haar eigen risico. De Dienst Toeslagen was niet verplicht na te gaan of eiseres de beschikkingen over kinderopvangtoeslag begreep. Dat de Dienst Toeslagen eerder onderzoek naar de rechtmatigheid van de betaalde toeslag had kunnen doen, doet geen afbreuk aan de eigen verantwoordelijkheid van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
O/GS-tegemoetkoming
5. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming ten onrechte heeft afgewezen. Omdat zij door haar boekhouder is opgelicht, is sprake van een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang.
De Dienst Toeslagen kent aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag op aanvraag een O/GS-tegemoetkoming toe indien de uitvoering van de kinderopvangtoeslag heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard, omdat aan hem geen persoonlijke betalingsregeling is toegekend of een buitengerechtelijke schuldregeling is geweigerd vanwege de onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld van hemzelf of zijn partner ten aanzien van het ontstaan van de terugvordering van de kinderopvangtoeslag.
Grove schuld is een in laakbaarheid aan opzet grenzende mate van verwijtbaarheid en omvat mede grove onachtzaamheid. Daarbij kan gedacht worden aan laakbare slordigheid of ernstige nalatigheid. Bij grove schuld had belanghebbende redelijkerwijs moeten of kunnen begrijpen dat zijn gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou kunnen worden toegekend.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag om een O/GS-tegemoetkoming terecht afgewezen. Het is niet aannemelijk dat sprake is van een onterechte kwalificatie van opzet of grove schuld. De rechtbank verwijst naar wat hiervoor onder 4.3 is overwogen. Eiseres heeft haar DigiD-gegevens vrijwillig aan haar boekhouder verstrekt en ondanks de hoogte van de aan haar uitgekeerde bedragen heeft zij geen inspanningen verricht om te controleren of zij daarop daadwerkelijk recht had. Ook zonder kennis van de Nederlandse taal had eiseres kunnen begrijpen dat zij een risico liep door zulke hoge bedragen te ontvangen zonder daarvoor enige tegenprestatie te verrichten. Daarmee is sprake van ernstige nalatigheid en had eiseres redelijkerwijs kunnen en moeten begrijpen dat haar gedrag tot gevolg kon hebben dat een te hoog bedrag aan tegemoetkoming zou worden uitgekeerd. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
6. Eiseres betoogt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Eiseres is sinds haar scheiding in 2015 alleenstaande moeder. In 2016 heeft zij zich gewend tot schuldhulpverlening. De Dienst Toeslagen heeft medewerking aan het minnelijk traject geweigerd. Als gevolg daarvan heeft eiseres jarenlang in een uitzichtloze schuldensituatie verkeerd. De gevolgen van het bestreden besluit zijn daarom onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel.
De rechtbank begrijpt het betoog van eiseres als een beroep op de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. Omdat het bestreden besluit berust op een gebonden bevoegdheid die haar grondslag vindt in een wet in formele zin, is artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet van toepassing. De genoemde hardheidsclausule is echter een met het evenredigheidsbeginsel vergelijkbare bepaling. De rechtbank beoordeelt daarom of de Dienst Toeslagen in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing mocht laten.
Voor de beoordeling van deze beroepsgrond zijn de volgende regels van belang. De Dienst Toeslagen kan afwijken van artikel 2.6 van de Wht, voor zover toepassing van die bepaling gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst Toeslagen in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Eiseres heeft niets verklaard over haar huidige financiële of medische situatie. Van een onbillijkheid van overwegende aard is ook overigens niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op compensatie of een O/GS-tegemoetkoming.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Vernee, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.