RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
Dienst Toeslagen
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/6076
(gemachtigde: mr. M.B. Visser),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over de aanvraag van eiseres om compensatie op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Dienst Toeslagen terecht niet het forfaitaire bedrag toegekend van € 30.000,-, omdat er geen sprake is van een herstelmaatregel in de zin van artikel 2.7, vierde lid, van de Wht en het beroep op de hardheidsclausule faalt. Het beroep is ongegrond.
Procesverloop
2. Met het besluit van 15 november 2023 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres om compensatie afgewezen op grond van de Wht.
Met het besluit van 4 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de Dienst Toeslagen het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 15 november 2023 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op de zitting van 9 juli 2026 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.
Beoordeling door de rechtbank
3. Eiseres heeft een aanvraag gedaan om compensatie of een opzet/grove schuld (O/GS)-tegemoetkoming op grond van de Wht. Met het besluit van 6 juli 2023 is een O/GS-tegemoetkoming toegekend van € 193,-. Na de zogenoemde integrale beoordeling heeft de Dienst Toeslagen met het besluit van 15 november 2023 de aanvraag om compensatie afgewezen. Met het bestreden besluit is de Dienst Toeslagen daarbij gebleven.
4. Eiseres betoogt dat de Dienst Toeslagen onterecht heeft beslist dat zij geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- op grond van artikel 2.7 van de Wht. Er is sprake van een herstelmaatregel, omdat eiseres een O/GS-tegemoetkoming heeft ontvangen van € 193,-. Daarmee is eiseres aangemerkt als gedupeerde en heeft zij recht op toekenning van het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Op grond van de hardheidsclausule moet worden afgeweken van de bepaling dat geen sprake is van een herstelmaatregel indien in het toeslagjaar minder dan € 1.500,- aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd. Gelet op de financiële en psychische problematiek die bij eiseres speelt zal toepassing van deze bepaling leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de Dienst Toeslagen met het bestreden besluit (ook) een beslissing heeft genomen over de toepasselijkheid van artikel 2.7, vijfde lid, van de Wht. De Dienst Toeslagen heeft toegelicht dat als bij de beoordeling in bezwaar aanleiding zou zijn geweest om de hardheidsclausule toe te passen en af te wijken van artikel 2.7, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wht, de O/GS-tegemoetkoming met het bestreden besluit zou zijn aangevuld tot het forfaitaire bedrag van € 30.000,-. Tussen partijen is ook niet in geschil dat in het toeslagjaar 2010 minder dan € 1.500,- aan kinderopvangtoeslag is teruggevorderd en eiseres dus geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,- op grond van artikel 2.7, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wht. De rechtbank beoordeelt daarom alleen of de Dienst Toeslagen in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing mocht laten.
6. Voor de beoordeling van het beroep zijn de volgende regels van belang. Op grond van de hardheidsclausule kan de Dienst Toeslagen afwijken van artikel 2.7 van de Wht voor zover toepassing van die bepaling gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst Toeslagen in redelijkheid de hardheidsclausule buiten toepassing laten. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat sprake is van schrijnende omstandigheden. Op de zitting heeft eiseres bijvoorbeeld niet kunnen uitleggen welke diagnose haar psychiater zou hebben gesteld of hoeveel schulden zij heeft. Dat eiseres in het verleden zou zijn geconfronteerd met onterechte stopzettingen van haar huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget, is in deze procedure niet vast komen te staan. De Dienst Toeslagen heeft daarover een apart besluit genomen op grond van artikel 2.16 van de Wht, waartegen eiseres bezwaar heeft gemaakt. De inhoud van dat besluit of het bezwaar is de rechtbank niet bekend. Daarom kan de rechtbank in deze procedure niet vaststellen dat eiseres ‘tussen wal en schip valt’, zoals zij heeft gesteld. Van een onbillijkheid van overwegende aard is dus niet gebleken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen recht heeft op het forfaitaire bedrag van € 30.000,-.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.P. Ferwerda, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Vernee, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.