RECHTBANK ROTTERDAM
beschikking
Team handel en haven
zaaknummer / rekestnummer: C/10/722570 / HA RK 26-652
Beschikking van 27 augustus 2026
in de zaak van
[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2] ,
woonplaats: [woonplaats],
verzoekers,
advocaat mr. H. den Besten te Almere.
1. Het procesverloop
Op 1 juli 2026 is bij de rechtbank ingekomen het verzoekschrift van verzoekers om een vereffenaar te benoemen op grond van artikel 4:204 lid 1 onder a BW, met producties.
Op 10 augustus 2026 heeft de griffier verzoekers gevraagd om toe te lichten waarom de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Verzoekers hebben bij mailbericht van 10 augustus 2026 hierop gereageerd.
2. De beoordeling
Op 11 oktober 1925 is in Parijs (Frankrijk) overleden [naam] (hierna: de overledene), die is geboren op [geboortedatum] 1853 in [geboorteplaats] ([geboorteland]). De overledene is de bloot eigenaar van het perceel gelegen aan de [adres]. Verzoekers zijn erfpachters van het hiervoor genoemde perceel.
Verzoekers vragen om een vereffenaar te benoemen in nalatenschap van de overledene, althans in de nalatenschap of rechtsopvolging voor zover deze betrekking heeft op de bloot eigendom van het perceel aan de [adres] (Kadastraal bekend: [perceel]). De rechtbank verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag. Hierna wordt toegelicht hoe tot dit oordeel is gekomen.
De zaak heeft een internationaal karakter, omdat de overledene is geboren in Roemenië en is overleden in Frankrijk. De Europese Erfrechtverordening (verordening (EU) 650/2012) is niet van toepassing, omdat de overledene is overleden voor 17 augustus 2015, zodat gekeken met worden naar de Nederlandse regels voor internationale gevallen. Op grond daarvan heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht, omdat verzoekers in Nederland wonen (artikel 3 aanhef en onder a Rv).
De rechtbank Rotterdam is echter niet de relatief bevoegde rechter. De overledene is niet overleden in Nederland en verzoekers onderkennen dat uit de thans beschikbare gegevens niet volgt dat de overledene haar gewone verblijfplaats had in Nederland. Omdat de overledene niet in Nederland woonde is de rechtbank in Den Haag de bevoegde rechter (artikelen 268 en 269 Rv). Omdat het op dit moment onbekend is wie de belanghebbenden zijn, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om de zaak desondanks aan zich te houden (artikel 270 lid 1, derde volzin, Rv). De zaak wordt daarom verwezen naar de rechtbank Den Haag.
3. De beslissing
De rechtbank
verklaart zich onbevoegd;
verwijst de zaak naar de rechtbank Den Haag;
draagt de griffier op de processtukken en een afschrift van deze beschikking toe te sturen aan de griffier van de rechtbank te Den Haag.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Steenderen-Koornneef en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2026.
3120