ECLI:NL:RBROT:2026:10907

ECLI:NL:RBROT:2026:10907

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 08-07-2026
Datum publicatie 01-09-2026
Zaaknummer NL:TZ:2612068:R-RK
Rechtsgebied Civiel recht; Insolventierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzoek wsnp toegewezen. Toegelaten op basis van de hardheidsclausule in verband met een schuld die niet te goeder trouw is ontstaan. Er is een eerdere ingangsdatum bepaald.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team Insolventie

Rekestnummer: [rekestnummer]

vonnis van 8 juli 2026

op het verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] .

Waar deze zaak over gaat

[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).

Dit verzoek wordt toegewezen.

Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op

2 september 2025. Dit verzoek wordt gedeeltelijk toegewezen.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1. De procedure

[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting, op 8 juni 2026, aanvullende stukken ontvangen.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 juni 2026. Op de zitting zijn verschenen:

- [verzoekster] ,

- mevrouw S. Morchid, schuldhulpverlener van Stroomopwaarts.

[verzoekster] heeft na de zitting, op 29 juni 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.

2. De beoordeling

De toelating

[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [schuldeiser] , die binnen de drie-jaarstermijn valt, niet te goeder trouw is ontstaan. Deze schuld is ontstaan in de periode waarin [verzoekster] (mede)bestuurder was van de onderneming [bedrijf] B.V. [schuldeiser] heeft een investering gedaan in de onderneming. De onderneming liep niet goed, waardoor [schuldeiser] haar investering niet heeft teruggekregen. De kantonrechter heeft [verzoekster] in persoon aansprakelijk gesteld voor deze schuld, vanwege een ernstig persoonlijk verwijt. Deze schuld staat in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.

In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan deze schuld, onder controle heeft gekregen. [verzoekster] is geen bestuurder meer van de besloten vennootschap of een andere onderneming. Ook haar eenmanszaak heeft zij per 1 april 2025 uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hierdoor kunnen er geen schulden meer ontstaan die voortvloeien uit een onderneming. Verder heeft [verzoekster] sinds 20 mei 2025 budgetbeheer bij Stichting Budgethulp. Zij heeft ter zitting blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. [verzoekster] heeft ter zitting verklaard dat zij in juni 2026 een dwangsom van de Belastingdienst ter hoogte van € 15.000,00 heeft ontvangen, hetgeen in de boedel vloeit. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat [verzoekster] haar verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.

[verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.

Bevoegdheid

De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.

Duur

De rechtbank ziet aanleiding de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) te stellen op 26 maanden. De rechtbank heeft met [verzoekster] besproken dat de duur van de schuldsaneringsgreling mogelijk zal worden verlengd vanwege de aard van de schuld aan [schuldeiser] . Naar het oordeel van de rechtbank wordt met het bepalen van een langere duur van de regeling recht gedaan aan alle betrokken belangen, en daarbij wordt er rekening gehouden met het ontstaan en de aard en omvang van de schuldenlast. [verzoekster] is voor 45-55% arbeidsongeschikt verklaard en ontvangt een WIA-uitkering. Zij heeft op dit moment volgens de berekening van schuldhulpverlening geen afloscapaciteit. [verzoekster] heeft op 18 september 2025 een herkeuring bij het UWV aangevraagd. De herkeuring heeft nog niet plaatsgevonden. [verzoekster] staat sinds 15 april 2026 onder behandeling voor haar medische problemen en werkt hard aan haar herstel. De rechtbank ziet daarom reden aan te nemen dat de afloscapaciteit vergroot kan worden gedurende de schuldsaneringsregeling. Ook indien de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster] gelijkblijvend wordt vastgesteld wordt zij geacht voor het resterende deel betaalde arbeid te verrichten. De afloscapaciteit zal dan toenemen en worden ingezet ten behoeve van de schuldeisers.

De ingangsdatum

De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.

Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.

Bij het verzoekschrift is een berekening van het vtlb gevoegd. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het vtlb door schuldhulpverlening niet juist is vastgesteld. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster] twee inwonende kinderen heeft. Een van haar twee kinderen is meerderjarig en volgt op dit moment geen studie maar is aan het werk. In het vtlb is geen rekening gehouden met inwonende kinderen en ook niet met de tegemoetkoming inwonenden bij inkomsten. Hierdoor is het vtlb onjuist opgesteld. Daarnaast ontbreekt er een vtlb-berekening over de periode vanaf juli 2025 met onderliggende stukken in het dossier. De rechtbank kan daarom over deze periode niet beoordelen of er is voldaan aan de afdrachtplicht.

Weliswaar is het vtlb onjuist vastgesteld en kan de rechtbank niet oordelen of er anders sprake is van enige afloscapaciteit, maar is wel gebleken dat [verzoekster] gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject heeft afgedragen onder beslag. [verzoekster] heeft hierdoor niet gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers. Daardoor is een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan [verzoekster] . Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.

Daarnaast is uit het dossier en het verhandelde ter zitting gebleken dat [verzoekster] voor 45-55% arbeidsongeschikt is verklaard. Zij ontvangt een WIA-uitkering op basis van het arbeidsongeschiktheidspercentage. Op 18 september 2025 heeft [verzoekster] bij het UWV een herkeuring aangevraagd. Er heeft nog geen herkeuring plaatsgevonden. [verzoekster] is onder behandeling bij een

re-integratiecoach. Er is een brief van de re-integratiecoach overgelegd waaruit blijkt dat [verzoekster] op dit moment geen sollicitatieplicht heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [verzoekster] heeft voldaan aan de inspanningsplicht gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject.

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank de ingangsdatum niet stellen op de verzochte datum van 2 september 2025. In plaats daarvan stelt de rechtbank de ingangsdatum vast op 10 februari 2026, zijnde de datum waarop het aanbod aan de (gezamenlijke) schuldeisers is gedaan.

3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp

De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).

Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.

De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.

De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.

De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.

Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.

De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster] .

Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.

4. De beslissing

De rechtbank:

- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] -1986 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

[postcode] [woonplaats] ;

- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout

en tot bewindvoerder [naam] ,

gevestigd te [postadres]

;

- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.

Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met

I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. M.C. Snel-van den Hout

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand