RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 22 april 2026
op het verzoek van
[verzoekster] ,
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 15 april 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster],
- [naam 1], partner van [verzoekster],
- de heer V.T. Raats, schuldhulpverlener van Zuidweg en Partners.
Schuldhulpverlening heeft de rechtbank voorafgaand aan de zitting, op 2 april 2026, aanvullende stukken toegezonden.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat de partner van [verzoekster] werd geconfronteerd met een faillissementsaanvraag van één van zijn leveranciers. Daarnaast is gebleken dat [verzoekster] voor de helft eigenaar is van een koopwoning. Er is geprobeerd te onderzoeken of verhoging van de hypotheek mogelijk was om de schuldeisers zo alsnog een aanbod te kunnen doen maar dit bleek niet mogelijk te zijn. Ook door beslaglegging op het inkomen van de partner van [verzoekster] bleek het niet mogelijk te zijn om tot een reëel en maximaal aanbod te komen aan de schuldeisers.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet binnen afzienbare termijn tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
[verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp. Een punt van aandacht is dat [verzoekster] voor de helft eigenaar is van de woning, staande en gelegen te [plaatsnaam] aan de [adres]. Dit eigendom dient gedurende de looptijd van de schuldsaneringsregeling te worden afgewikkeld.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: looptijd) op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] niet heeft verzocht om een eerdere ingangsdatum, terwijl ook overigens op basis van de ingediende stukken en dat wat op de zitting is besproken niet kan worden vastgesteld dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster], naast haar inkomen uit loondienst, inkomsten uit een onderneming ontvangt. In de overgelegde vtlb-berekening is dit inkomen niet opgenomen. Daarnaast zijn er geen onderliggende stukken overgelegd waardoor de rechtbank niet kan controleren of de vtlb-berekening juist is opgesteld. Er is weliswaar beslag gelegd op het inkomen van de partner van [verzoekster] maar de rechtbank kan niet controleren of er evenveel onder het beslag is afgedragen dan wat [verzoekster] had moeten afdragen als het inkomen uit haar onderneming was opgenomen in de vtlb-berekening. De rechtbank heeft de [verzoekster] voorgehouden gelegenheid te kunnen geven de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken maar zij heeft gevraagd uitspraak te doen.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster].
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum]-1973 te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam],
aldaar handelend onder de naam [handelsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder [naam 2],
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 22 april 2026 en de duur op 18 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
22 oktober 2027;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.