RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
Vonnis van 6 mei 2026
op het verzoek van
[verzoekster]
wonende te [adres],
[postcode] [plaatsnaam].
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
[verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 15 april 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster],
- de heer M. van Engelenburg, schuldhulpverlener van Geldplein,
- mevrouw L. Harink, beschermingsbewindvoerder.
De rechtbank heeft op 17 april en 20 april 2026 aanvullende stukken ontvangen.
2. De beoordeling
De toelating
[verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
[verzoekster] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
Het Wsnp-traject duurt in beginsel 18 maanden. De rechtbank ziet in het hierna te bespreken voorafgaande schuldhulpverleningstraject aanleiding de duur van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw te verlengen naar 20 maanden vanwege het niet voldoen aan de inspanningsplicht gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat [verzoekster] in het verzoekschrift niet om een eerdere ingangsdatum heeft verzocht. Op grond van de toelichting ter zitting en de aangeleverde stukken ziet de rechtbank aanleiding om een eerdere ingangsdatum van de looptijd van de Wsnp te bepalen. Het schuldhulpverleningstraject is gestart op 16 juli 2025. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [verzoekster] gedurende het minnelijk traject niet heeft gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van [verzoekster]. Daardoor is er tijdens het schuldhulpverleningstraject een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan [verzoekster]. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 16 juli 2025, zijnde de dag waarop er gedurende het minnelijke traject van schuldhulpverlening is afgelost uit hoofde van een ten laste van [verzoekster] gelegd beslag.
Gebleken is dat [verzoekster] gedurende het voorafgaande minnelijk schuldhulpverleningstraject geen fulltime dienstbetrekking had. Zij heeft in deze periode slechts 24 uur per week gewerkt terwijl de maatstaf 36 uur per week is. Voorts is uit het dossier en het verhandelde ter zitting gebleken dat [verzoekster] gedurende deze periode niet aanvullend heeft gesolliciteerd naar een fulltime dienstbetrekking (36 uur per week). Vanaf 17 november 2025 is [verzoekster] ziekgemeld bij haar werkgever. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de Wsnp-regeling door de tekortkoming in de inspanningsplicht naar rato dient te worden verlengd. Er dient te worden gekeken naar de periode van 16 juli 2025 tot 17 november 2025, dat is vier maanden. [verzoekster] heeft met een dienstbetrekking van 24 uur per week afloscapaciteit, zodat het nadeel voor de schuldeisers bestaat uit een lagere aflossing en daarmee financieel kan worden gecompenseerd. [verzoekster] had in deze periode minimaal moeten werken 624 uur (156 uur x 4 maanden). Zij heeft in deze periode gewerkt 416 uur. Dit is 208 uur te weinig. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de regeling met twee maanden dient te worden verlengd.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4 van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan [verzoekster].
Als [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster]
geboren op [geboortedatum]-1983 te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [postcode] [plaatsnaam];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder [naam],
gevestigd te [postadres]
;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 16 juli 2025 en de duur op 20 maanden, en bepaalt de einddatum van de looptijd daarmee op
16 maart 2027;
- draagt de bewindvoerder op de post van [verzoekster] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2026.