RECHTBANK ROTTERDAM
het college van bestuur van de Stichting [naam stichting]
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/6863
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] als wettelijk vertegenwoordigers van [persoon A], uit [plaats 1] , verzoekers
en
(gemachtigde: mr. F.J.J.M. Janssen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: het [naam school] uit [plaats 2] (de school)
(gemachtigde: [persoon B] , de directeur van de school).
Vanuit de school is een e-mail gestuurd dat de dochter van verzoekers niet mag doubleren in mavo 2 en niet over mag naar mavo 3. Er is echter nog geen verwijderingsbesluit genomen. Dit betekent dat er geen grondslag is om de dochter niet toe te laten tot de school. Stichting [naam stichting] heeft echter ter zitting aangegeven dat de dochter niet zal worden toegelaten, omdat beslist is dat zij niet over mag en niet mag doubleren. De belangen van de dochter wegen zwaarder dan het belang van de school. Het verzoek wordt daarom toegewezen en de dochter mag morgen starten in mavo 2 op de school.
Procesverloop
1. Op 8 juli 2026 heeft de mentor van [persoon A] telefonisch aan verzoekers laten weten dat [persoon A] niet wordt bevorderd naar mavo 3 en dat zij de school dient te verlaten. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt bij Stichting [naam stichting] . De waarnemend afdelingsleider mavo van de school heeft verzoekers in een e-mail van 9 juli 2026 laten weten dat [persoon A] beter een doorstart kan maken in een derde klas dan doubleren in mavo 2 en dat er geen reden is om het besluit te herzien. Op 14 juli 2026 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen verzoekers en de school. Verzoekers hebben daarna per e-mail gevraagd om [persoon A] te laten doubleren in mavo 2. Op 17 juli 2026 heeft de directeur van de school verzoekers in een e-mail laten weten dat er niet kan worden voldaan aan de wens om [persoon A] te laten doubleren en dat het besluit tot doorstroom naar het derde jaar in een kaderberoepsgerichte leerweg (kbl 3) blijft staan. Hij heeft daarbij aangegeven dat als verzoekers [persoon A] voor het de start van het nieuwe schooljaar niet inschrijven bij een andere school, er een formele verwijderingsprocedure wordt gestart. Verzoekers hebben vervolgens de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 31 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van Stichting [naam stichting] en de gemachtigde van het [naam school] .
3. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
4. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
5. In deze zaak ligt een e-mail voor dat [persoon A] niet over mag naar mavo 3 en niet mag doubleren in mavo 2. Ook is gemeld dat als zij zich niet op een andere school inschrijft, een verwijderingsprocedure zal worden gestart.
Hoewel de e-mail lijkt te beogen dat [persoon A] in het nieuwe schooljaar – dat morgen start – niet zal worden toegelaten tot de school, is een daadwerkelijke verwijderingsprocedure nog niet gestart. Een dergelijke procedure is – conform het protocol schorsing en verwijdering – met waarborgen omkleed en omvat verschillende stappen, waaronder het inschakelen van de leerplichtambtenaar en de inspectie, en het horen van de ouders. Van een dergelijke procedure is nog geen sprake en er is dan ook geen verwijderingsbesluit genomen. Dit betekent dat er ook geen grondslag is om [persoon A] niet toe te laten tot de school. Dat de school meent niet aan de ondersteuningsbehoefte van [persoon A] te kunnen voldoen, kan zo zijn, maar van een besluit hierover of een heroverweging in bezwaar is nog geen sprake. Hoewel het verzoek om een voorlopige voorziening in zoverre prematuur is, heeft Stichting [naam stichting] ter zitting aangegeven dat [persoon A] morgen niet zal worden toegelaten omdat beslist is dat zij niet over mag en niet mag doubleren. Voor zover er wel een besluit zou zijn in de vorm van deze mededeling over het niet overgaan en het niet doubleren – hetgeen de voorzieningenrechter betwijfelt – leidt een afweging van de belangen in dit geval tot een toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening. De belangen van [persoon A] bij het kunnen starten van het schooljaar in een voor haar vertrouwde en als veilig ervaren omgeving, wegen op dit moment zwaarder dan het door de school gestelde belang dat [persoon A] direct start op een school waar zij kan blijven. Het is immers nog niet besloten of [persoon A] wordt verwijderd en of deze beslissing stand houdt in de heroverweging in bezwaar.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, in die zin dat [persoon A] wordt toegelaten tot mavo 2 op de school tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar tegen de beslissing dat [persoon A] niet mag doubleren en niet over mag.
7. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet Stichting [naam stichting] het griffierecht aan verzoekers vergoeden. Voor een vergoeding van de verletkosten ziet de rechtbank geen aanleiding, want verzoekers hebben deze kosten niet onderbouwd.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- bepaalt dat [persoon A] wordt toegelaten tot mavo 2 op de school, tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar tegen de beslissing dat [persoon A] niet mag doubleren en niet over mag;
- wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af;
- bepaalt dat Stichting [naam stichting] het griffierecht van € 200,- aan verzoekers moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: