RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [rekestnummers]
uitspraakdatum: 1 juli 2026
[verzoekster] ,
wonende te [adres] ,
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
1. De procedure
Verzoekster heeft op 8 juni 2026, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 9 juni 2026 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 23 juni 2026.
Ter zitting van 23 juni 2026 zijn verschenen en gehoord:
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam, wiens vordering in behandeling is bij Bazuin en Partners (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
Schuldhulpverlening heeft de rechtbank na de zitting, op 24 juni 2026, een uittreksel uit de basisadministratie van de gemeente toegezonden.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2. Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De huurachterstand is ontstaan doordat verzoekster in een burn-out terecht is gekomen. Ze heeft ook last van mentale problemen waardoor zij moeite heeft met prioriteiten stellen. Hierdoor kwamen de vaste lasten op de tweede plaats. Verzoekster heeft zich gewend tot Geldplein voor hulp bij haar schuldenproblematiek.
Verzoekster ontvangt inkomen uit een WW-uitkering ter hoogte van € 1.301,00 per maand. De kale huur bedraagt € 464,52 per maand. De huur over juni 2026 is – weliswaar te laat – betaald op 4 juni 2026. Dit heeft ermee te maken dat verzoekster haar (eventuele) inkomen pas op de 1ste van de maand aan het UWV kan doorgeven waarna zij meestal op de 5e of 6e van de maand haar inkomen ontvangt. Verzoekster is, zolang zij een WW-uitkering ontvangt, niet in staat om de lopende huurtermijnen voor de 1ste van de maand te betalen. Wel is verzoekster in staat de lopende huurtermijnen voor de 12e van de maand te voldoen. Ter zitting is gebleken dat verzoekster tot en met 30 juli 2026 een WW-uitkering ontvangt. Zij heeft inmiddels een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend. Verder ontvangt verzoekster nog toeslagen van de belastingdienst.
Het inkomen van verzoekster is voldoende om de lopende huurtermijnen volledig te voldoen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat budgetbeheer zal worden opgestart. Hierdoor wordt gewaarborgd dat de lopende huurtermijnen worden voldaan. Daarnaast heeft verzoekster er belang bij om met haar inwonende kinderen in de woning te kunnen blijven wonen.
3. Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
4. De beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het proces-verbaal van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 22 mei 2026 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 10 juni 2026 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij met haar kinderen in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het proces-verbaal van 31 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster ontvangt inkomen uit een WW-uitkering. Het inkomen is voldoende om de lopende huurtermijnen volledig te voldoen. De huur van juni 2026 is – weliswaar te laat – voldaan op 4 juni 2026. Ter zitting is door schuldhulpverlening verklaard dat budgetbeheer zal worden opgestart. Daarmee is voldoende aannemelijk dat de lopende huurtermijnen tijdig en volledig, in dit geval voor de 12e van de lopende maand, zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster en haar kinderen zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
5. De beslissing
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van de uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2025 volgende bevoegdheid van verweerster tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan [adres] te [plaats] , voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf
9 juni 2026;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van
I. van Gemerde, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.