RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
vonnis van 17 juni 2026
op het verzoek van
[verzoekster]
wonende te [straatnaam 1] ,
[postcode 1] [woonplaats] .
Waar deze zaak over gaat
Mevrouw [verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft mevrouw [verzoekster] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp). Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt mevrouw [verzoekster] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op
1 maart 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
Mevrouw [verzoekster] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De beschermingsbewindvoerder heeft voorafgaand aan de zitting, op 4 juni 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 10 juni 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- mevrouw [verzoekster] ,
- de heer [naam] , partner van mevrouw [verzoekster] ,
- mevrouw A.E.H. Hallema, beschermingsbewindvoerder.
De beschermingsbewindvoerder heeft na de zitting, op 12 juni 2026, de rechtbank aanvullende stukken toegezonden ten behoeve van de beoordeling van een eerdere ingangsdatum.
2. De beoordeling
Ontvankelijkheid
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet mevrouw [verzoekster] in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens mevrouw [verzoekster] geen aanbod heeft gedaan aan de schuldeisers. In plaats daarvan is direct een Wsnp-verzoek ingediend. De reden hiervoor is dat er na afwikkeling van het faillissement van de Vennootschap Onder Firma (VOF) waarvan mevrouw [verzoekster] medevennoot was, er nog sprake is van aanzienlijke schulden aan de Belastingdienst. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst geen medewerking zou willen verlenen aan een minnelijk traject.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie het ontbreken van een poging om tot een minnelijke regeling te komen, niet aan de ontvankelijkheid van het verzoek in de weg staat, omdat voldoende aannemelijk is geworden dat de Belastingdienst als grootste schuldeiser geen medewerking zou willen verlenen aan het minnelijk traject. Mevrouw [verzoekster] is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De toelating
Mevrouw [verzoekster] kan worden toegelaten tot de Wsnp als zij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en zij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat mevrouw [verzoekster] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De rechtbank is van oordeel dat de schulden aan de Belastingdienst, die binnen de drie-jaarstermijn vallen, niet te goeder trouw zijn ontstaan. Mevrouw [verzoekster] heeft openstaande schulden aan de Belastingdienst, die onder andere bestaan uit omzetbelasting over de jaren 2023 tot en met 2024. Deze schulden zijn naar hun aard niet te goeder trouw ontstaan, althans onbetaald gelaten, en staan in beginsel in de weg aan toewijzing van het Wsnp-verzoek.
In dit geval ziet de rechtbank echter aanleiding om mevrouw [verzoekster] toch toe te laten tot de Wsnp met toepassing van de hardheidsclausule. Gebleken is dat mevrouw [verzoekster] de omstandigheden die hebben geleid tot het laten ontstaan en/of onbetaald laten van deze schulden, onder controle heeft gekregen. De onderneming van mevrouw [verzoekster] is per 23 april 2024 opgeheven en uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel en het faillissement van de VOF is afgewikkeld. Zij is thans werkzaam in loondienst. Daarnaast heeft mevrouw [verzoekster] zich onder beschermingsbewind laten stellen. Het beschermingsbewind is uitgesproken op 20 november 2024. Zij heeft ter zitting blijk gegeven van een serieuze en saneringsgezinde houding. Hierdoor is bij de rechtbank het vertrouwen ontstaan dat mevrouw [verzoekster] haar verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling naar behoren zal nakomen.
Mevrouw [verzoekster] wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van mevrouw [verzoekster] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank kan niet vaststellen of aan de vereiste verplichtingen, in het bijzonder de afdrachtverplichting, is voldaan. Volgens de door de beschermingsbewindvoerder na de zitting overgelegde aanvullende stukken heeft mevrouw [verzoekster] vanaf november 2024 tot en met heden in totaal een bedrag van
€ 3.785,75 gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers. De aangeleverde vtlb-berekeningen, met onderliggende stukken, zijn echter ontoereikend om te kunnen concluderen dat door mevrouw [verzoekster] maximaal is afgedragen. Onder meer is bij die berekeningen uitgegaan van een te laag inkomen van de partner van mevrouw [verzoekster] omdat de inhouding van het CAK niet bij het netto-inkomen is opgeteld. Ook is onduidelijk hoe het netto fiscale nadeel is berekend met betrekking tot de auto van het werk van de partner van mevrouw [verzoekster] . Hoewel er over langere periode is gespaard ziet de rechtbank ook onvoldoende aanknopingspunten om via de weg van saldering tot vaststelling van een eerdere ingangsdatum te kunnen komen.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat er geen eerdere ingangsdatum zal worden bepaald.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan mevrouw [verzoekster] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of mevrouw [verzoekster] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die mevrouw [verzoekster] nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). Mevrouw [verzoekster] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan mevrouw [verzoekster] .
Als mevrouw [verzoekster] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op mevrouw [verzoekster] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,
wonende te [straatnaam 1] ,
[postcode 1] [woonplaats] ;
voorheen vennoot van [vof] ,
gevestigd te [straatnaam 2] , [postcode 2] [locatie] ;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Franken
en tot bewindvoerder P.H.L. Adam,
gevestigd te Postbus 7441
3284 ZG Zuid-Beijerland;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Franken, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.