RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
vonnis van 1 juli 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [straatnaam 1],
[postcode] [woonplaats].
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank ziet wel aanleiding om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1. De procedure
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp.
Schuldhulpverlening heeft voorafgaand aan de zitting op 22 juni 2026 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 juni 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker],
- mevrouw [naam], schuldhulpverlener van Geldplein.
Schuldhulpverlening heeft na de zitting op 23 juni 2026 de rechtbank aanvullende stukken toegezonden.
2. De beoordeling
De toelating
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
De heer [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt toegelaten tot de Wsnp. De rechtbank merkt hierbij op dat met de heer [verzoeker] is besproken dat hij geen geld van derden mag lenen gedurende de Wsnp. Dit wordt gezien als een nieuw schuld en binnen de Wsnp-regeling is het laten ontstaan van nieuwe schulden niet toegestaan. De heer [verzoeker] heeft aangegeven zich hiervan bewust te zijn.
Ter zitting is met de heer [verzoeker] besproken dat een deel van de schuld aan het CJIB ziet op een schadevergoedingsmaatregel, die buiten de drie-jaarstermijn is ontstaan. Deze schadevergoedingsmaatregel valt op grond van artikel 358 lid 4 Faillissementswet (Fw) niet onder de werking van de schone lei. Dit betekent dat deze vordering na afloop van de schuldsaneringsregeling weer op de heer [verzoeker] verhaald kan worden. De heer [verzoeker] heeft dit begrepen.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Fw bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank kan de vraag of de heer [verzoeker] tijdens het voorafgaande schuldhulpverleningstraject aan alle verplichtingen heeft voldaan nog niet volledig beoordelen bij gebrek aan voldoende informatie. Uit het dossier is gebleken dat het budgetbeheer niet naar behoren is verlopen waardoor er nieuwe achterstanden zouden zijn ontstaan. Ter zitting heeft de heer [verzoeker] verklaard dat er naar zijn weten geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Er zijn echter geen onderliggende stukken aangeleverd waaruit blijkt welke nieuwe schulden zijn ontstaan en dat de nieuwe schulden weer zijn voldaan.
Omdat de rechtbank op voorhand niet onaannemelijk acht dat door de heer [verzoeker] aan de verplichtingen in het voorafgaande schuldhulpverleningstraject is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding om (i) bij dit vonnis een eerdere ingangsdatum te bepalen, en (ii) het definitieve oordeel over de nakoming van de verplichtingen in het voortraject te laten aan de rechter-commissaris of de rechtbank die een oordeel moet geven over de beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De uitkomst van die beoordeling kan aanleiding zijn om de looptijd van de schuldsaneringsregeling (alsnog) te verlengen (artikel 349a lid 2 Fw respectievelijk artikel 349a lid 3 Fw). De rechtbank verwijst voor deze route naar het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1913), rechtsoverweging 3.6.5, laatste alinea.
De bewindvoerder wordt opgedragen om in het verslag (artikel 318 Fw) of in het eindverslag (artikel 352 Fw) de rechter-commissaris dan wel de rechtbank te adviseren over de vraag of de heer [verzoeker] in het schuldhulpverleningstraject heeft voldaan aan de uit dat traject voortvloeiende verplichtingen.
De rechtbank stelt de ingangsdatum vast op 20 januari 2026, zijnde de datum waarop het (nul)aanbod is gedaan alsmede de maand waarin de heer [verzoeker] meer heeft afgelost uit hoofde van beslag dan hij conform de vtlb-berekening had moeten afdragen. Er zijn geen vtlb-berekeningen en onderliggende stukken aangeleverd over de periode in 2025 waardoor de rechtbank over deze periode niet kan controleren of er is voldaan aan de afdrachtplicht dan wel of de heer [verzoeker] meer heeft afgelost uit hoofde van het gelegde beslag dan hij zou moeten doen conform de vtlb-berekening.
3. De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker].
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden.
4. De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([geboorteplaats]),
wonende te [straatnaam 1],
[postcode] [woonplaats];
voorheen handelend onder de naam [bedrijf],
gevestigd te [straatnaam 2] te [locatie];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M.C. Snel-van den Hout
en tot bewindvoerder S.H.J. Nanuruw,
gevestigd te Postbus 68
2650 AB Berkel en Rodenrijs,
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, in samenwerking met
I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.