ECLI:NL:RBROT:2026:10975

ECLI:NL:RBROT:2026:10975

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 29-07-2026
Datum publicatie 02-09-2026
Zaaknummer ROT 26/4725
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Afwijzing verzoek om voorlopig voorziening hangende beroep. Geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het college van handhaving behoorde af te zien. De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de voorzieningenrechter passend voor een geval van illegale bewoning. Het college heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat en waarom handhaving in dit geval noodzakelijk is en waarom het algemeen belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. De last onder dwangsom is geschikt en noodzakelijk om de overtreding binnen een redelijke termijn te kunnen beëindigen.

Uitspraak

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.H. de Bruin)

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland

(gemachtigde: mr. R.Z.Y. Tan).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [eigenaar perceel] uit [woonplaats] .

Inleiding

1. Met de primaire besluiten van 28 augustus 2026 heeft het college aan [eigenaar perceel] vier lasten onder dwangsom opgelegd met betrekking tot het perceel (kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 1] ) op de locatie [adres 1] in [plaats] (de locatie). Last 4 heeft betrekking op de plaatsing en bewoning van een stacaravan aan de noordwestkant van het perceel op de locatie (bereikbaar via [adres 2] ) in strijd met het omgevingsplan.

Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster met betrekking tot last 4 ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter op 4 juni 2026 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn eiseres, haar gemachtigde en [dochter verzoekster] (dochter), en de gemachtigde van het college, vergezeld van collega mr. K.J. Kozlowska.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?

2. Op 25 april 2025 heeft het college een handhavingsverzoek ontvangen met betrekking tot het perceel op de locatie. Derde-partij is eigenaar van dit perceel.

Op 7 mei 2025 heeft de toezichthouder namens het college een controle op de locatie uitgevoerd. Van deze controle is een constateringsrapport opgesteld van 13 mei 2025. Hieruit volgt (voor zover van belang) dat aan de noordwestkant van het perceel op de locatie een stacaravan (de stacaravan) is geplaatst in strijd met het omgevingsplan. Op luchtfoto’s is te zien dat de stacaravan wordt bewoond.

Op 17 juli 2025 heeft de toezichthouder een tweede controle op de locatie uitgevoerd met een machtiging tot binnentreden. Van deze controle is een constateringsrapport opgesteld van 28 juli 2025. Hieruit volgt (voor zover van belang) dat de stacaravan sinds vijf jaar door verzoekster wordt bewoond naar aanleiding van een echtscheiding. De stacaravan is eigendom van verzoekster. Zij betaalt huurkosten voor de bewoning ervan aan derde-partij.

Met de primaire besluiten van 28 augustus 2025 heeft het college vier lasten onder dwangsom aan derde-partij opgelegd met betrekking tot het perceel op de locatie. De onderhavige procedure gaat enkel over last 4, zoals hiervoor weergegeven onder 1. Om de overtreding met betrekking tot last 4 te beëindigen, moet derde-partij de stacaravan verwijderen en verwijderd houden. Derde-partij kan niet aan last 4 voldoen door de stacaravan elders op de locatie of op het perceel aan [adres 2] (kadastraal bekend als [kadastrale aanduiding 2] ) te plaatsen. Ook moet de bewoning van de stacaravan worden beëindigd. Hier is echter al aan voldaan als de stacaravan wordt verwijderd. De overtreding moet uiterlijk 1 september 2026 worden beëindigd op straffe van een dwangsom van € 10.000,- ineens. De last geldt ook na die datum. Als dan opnieuw een stacaravan wordt geplaatst op voornoemde percelen, geldt eenzelfde dwangsombedrag.

Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 heeft het college het bezwaar van verzoekster met betrekking tot last 4 ongegrond verklaard, in overeenstemming met het advies van de bezwaarcommissie van 17 februari 2026. In het advies stelt de bezwaarcommissie vast dat tussen partijen niet in geschil is dat sprake is van strijd met het omgevingsplan. Naar het oordeel van de bezwaarcommissie is echter geen sprake van bijzondere omstandigheden waardoor van handhaving zou moeten worden afgezien. Last 4 is noodzakelijk omdat er geen lichtere manier is om het doel te bereiken. Het college mocht bij de belangenafweging het algemeen belang van naleving van het omgevingsplan zwaarder laten wegen.

Toetsingskader

3. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet (Ow) is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.

Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Op de locatie geldt het ‘Omgevingsplan gemeente Lansingerland’ (het omgevingsplan). Dat omgevingsplan bevat een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden.

Op de locatie was vóór 1 januari 2024 onder meer het bestemmingsplan “Lint Noord” (het bestemmingsplan) van kracht. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De stacaravan staat op de locatie met de bestemming “Bedrijf”. Zelfstandige bewoning is daar niet toegestaan en de stacaravan heeft geen functionele relatie tot het bedrijf op de locatie. Het plaatsen en de bewoning van de stacaravan is daarmee in strijd met het omgevingsplan.

Gronden van het verzoek

4. Verzoekster betoogt dat het college in dit geval van handhavend optreden behoort af te zien. Zij voert aan dat de begunstigingstermijn door loopt en zij verwacht hierdoor straks voor een voldongen feit te staan. De verwijdering van de stacaravan is niet eenvoudig terug te draaien na een eventueel gegrond beroep. Volgens verzoekster is het niet noodzakelijk om de bewoning te beëindigen voordat uitspraak in de bodemzaak is gedaan. De begunstigingstermijn had volgens haar op 2,5 jaar moeten worden gesteld. Verzoekster stelt zich daarnaast op het standpunt dat het college de belangenafweging te algemeen heeft geformuleerd en dat haar belangen onvoldoende zijn meegewogen. Dat verzoekster op korte termijn elders zou kunnen wonen en meer zou kunnen betalen voor haar woonkosten is een aanname. Niet is onderzocht of dat zij een daadwerkelijk woonalternatief heeft. Daarnaast betoogt verzoekster dat het tijdsverloop voorafgaande aan het opleggen van de last een bijzondere omstandigheid is waarom van handhaving had moeten worden afgezien. Verzoekster doet een beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en verwijst naar een aantal uitspraken. Verder is volgens verzoekster in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom een last onder dwangsom in dit geval de minst ingrijpende maatregel is. De bewoning vormt geen veiligheidsrisico en handhaving is door het college zuiver planologisch gemotiveerd.

5. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de mogelijkheid besproken om ook gelijk op het beroep te beslissen. Omdat de gemachtigde van verzoekster gemotiveerd heeft aangegeven dat hij nog nadere argumenten en stukken in het geding wil brengen in de bodemprocedure heeft de voorzieningenrechter besloten om alleen uitspraak te doen op het verzoek om voorlopige voorziening. Bij de navolgende beoordeling van de gronden van het verzoek neemt de voorzieningenrechter het spoedeisende belang van het verzoek aan. De begunstigingstermijn loopt immers binnen afzienbare tijd af en verzoekster heeft nog geen alternatieve woonruimte.Vast staat en tussen partijen is niet in geschil is dat sprake is van een overtreding van het omgevingsplan en dat voor de stacaravan en de bewoning ervan geen omgevingsvergunning ter afwijking van het omgevingsplan is verleend. Het college was dus bevoegd daartegen handhavend op te treden.

6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.

Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisering, bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

7. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het college van handhaving behoorde af te zien wegens bijzondere omstandigheden. De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat van dergelijke omstandigheden geen sprake is en dat het college een rechtmatig besluit heeft genomen.

De begunstigingstermijn is naar het oordeel van de voorzieningenrechter passend voor een geval van illegale bewoning. Een begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk om de overtreding te kunnen opheffen. De begunstigingstermijn strekt er ook niet toe verzoekster in de gelegenheid te stellen de uitkomst van het door haar ingestelde beroep af te wachten. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende rekening gehouden met verzoekster door een langere termijn te stellen van één jaar vanwege verzoeksters situatie. Op die manier hoefde haar inwonende (inmiddels meerderjarige) dochter niet tijdens een schooljaar te verhuizen en kon verzoekster de financiële middelen verzamelen en de noodzakelijke acties ondernemen om te verhuizen. Het college heeft op de zitting verder verklaard dat het een nog langere termijn zou overwegen, mits duidelijk is binnen welke termijn de overtreding kan worden beëindigd. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn in de situatie dat verzoekster in bezit zou zijn van een voorlopig koopcontract voor een nieuwe woning. Van een dergelijke situatie is echter geen sprake. De voorzieningenrechter acht een begunstigingstermijn van één jaar hoe dan ook in het geval van verzoekster redelijk en passend. De omstandigheid dat het in de huidige woningmarkt lastig is andere woonruimte te vinden, maakt dit niet anders. De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat verzoekster op dit moment onvoldoende heeft aangevoerd wat maakt dat het college een langere begunstigingstermijn had behoren te stellen.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden voldoende heeft gemotiveerd dat en waarom handhaving in dit geval noodzakelijk is en waarom het algemeen belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Voor verzoekster is van belang dat zij langer in de stacaravan kan blijven wonen omdat zij naar eigen zeggen niet op tijd een andere woning kan vinden. Verzoekster staat als woningzoekende in de regio [regio 1] en [regio 2] voor een sociale huurwoning ingeschreven, maar dit traject duurt volgens haar nog jaren. Verder onderneemt zij concrete stappen om met hulp van familie een woning te kopen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het voorgaande niet wegneemt dat onvoldoende is gebleken dat verzoekster geen andere woning kan vinden en dat handhaving daarom onevenredig zou zijn. Bij het maken van de belangenafweging hoeft het college overigens niet zelf te onderzoeken of verzoekster een daadwerkelijk woonalternatief heeft. Verzoekster is zelf in de stacaravan gaan wonen terwijl zij had moeten en kunnen weten dat dit niet is toegestaan. De door verzoekster aangevoerde omstandigheden komen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor risico en rekening van haarzelf. Het enkele tijdsverloop voorafgaand aan het besluit tot handhaving vormt ook geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van handhaving had moeten afzien. Dat is ook niet het geval als het college op de hoogte is van de overtreding. De voorzieningenrechter acht verder geen andere bijzondere omstandigheden aanwezig die maken dat van handhaving zou moeten worden afgezien. Ook de medebewoning door verzoeksters meerderjarige dochter vormt niet zo’n omstandigheid. De verwijzingen van verzoekster naar volgens haar relevante rechtspraak hebben de voorzieningenrechter niet op andere gedachten gebracht.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de last onder dwangsom geschikt is om de overtreding binnen een redelijke termijn te kunnen beëindigen. Het opleggen van de last is ook noodzakelijk. Er is sprake van een overtreding waar het college in beginsel tegen dient op te treden. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan te nemen dat het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval verder gaat dan nodig is. Er is geen ander, minder ingrijpend middel waarmee het college hetzelfde resultaat zou kunnen bereiken. Bij het stellen van de begunstigingstermijn heeft het college overigens al rekening gehouden met het feit dat de stacaravan geen veiligheidsrisico vormt, maar dit gegeven doet er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aan af dat op de overtreding moet worden gehandhaafd. De voorzieningenrechter heeft goed gekeken naar wat verzoekster in haar verzoek nog naar voren heeft gebracht maar hij ziet hierin geen aanknopingspunten om aan te nemen dat in beroep zal worden geoordeeld dat het college, hoewel bevoegd, van handhavend optreden tegen de bewoning van verzoekster van de stacaravan behoorde af te zien.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt en dat zij vóór september de bewoning van de stacaravan dient te beëindigen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Brekelmans, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2026.

De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.A. Brekelmans

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand